Belastingen en Gemeenten

Beheerder anti-kraak is gebruiker leegstaand pand  De Hoge Raad beslist dat de beheerder, die anti-kraakwachten in een leegstaand bedrijfspand laat verblijven, gebruiker van die panden is en dat alleen die delen zijn vrijgesteld voor de OZB-gebruikersbelasting niet-woningen, die bij bewoners in gebruik zijn. Belanghebbende levert anti-kraakwachten voor leegstaande gebouwen ter voorkoming van vernieling en kraak. Belanghebbende sluit overeenkomsten met eigenaren. In die overeenkomsten staat dat de eigenaar het pand aan belanghebbende in bewaring/beheer geeft en dat belanghebbende die zaak binnen 24 uur na het sluiten van de overeenkomst door derden laat bewonen. Belanghebbende sluit gebruiksovereenkomsten met personen, veelal studenten, die ‘oppassers’ worden genoemd. Volgens die overeenkomsten beschikken de oppassers over eigen kamers om daar te wonen. In die kamers staan meubels en is er slaapgelegenheid. Er is een douchecabine, toilet en een kookgelegenheid. Zij verblijven op permanente basis in de aan hen toegewezen ruimten. Slechts een klein deel van de panden worden door doorgaans twee of drie oppassers bewoond. Voor de rest staat het pand leeg. Bij het hof spelen twee vragen: is belanghebbende gebruiker en vallen delen waar de gebruikers wonen onder de woondelenvrijstelling. Het hof oordeelt dat het pand geheel onder de woondelenvrijstelling valt omdat de delen die niet worden gebruikt dezelfde toerekening van woondelen dient te krijgen als de delen die bij de oppassers in gebruik zijn. Omdat de delen waar de oppassers verblijven volledig zijn vrijgesteld zijn ook de leegstaande delen van het pand vrijgesteld volgens het hof. De Hoge Raad vernietigt de beslissing en overweegt dat de leegstaande delen van het bedrijfspand niet onder de woondelenvrijstelling vallen. Het in gebruik geven van delen van het bedrijfspand beoordeelt de Hoge Raad als gebruik door belanghebbende en constateert daarmee belastingplicht  voor belanghebbende voor het hele pand. Hoge Raad 25 november 2011, LJN: BU5656

Redelijke termijn voor afhandeling bezwaar door gemeente is zes maanden en voor afhandeling beroep door rechtbank anderhalf jaar Rechtbank Roermond beslist dat de gemeente zes maanden heeft om een bezwaarschrift af te handelen als is geconstateerd dat de redelijke termijn van twee jaar voor behandeling van bezwaar en beroep is overschreden.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De beoordeling van de redelijkheid van de termijn is afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van belanghebbende gedurende de procedure en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van belanghebbende. De redelijke termijn is overschreden als er tussen de ontvangst  van het bezwaar en de uitspraak van de rechtbank in totaal twee jaren zijn verstreken. De rechtbank wijst op jurisprudentie waarin is geoordeeld dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De termijnoverschrijding bedraagt daarom vier jaar voor de gemeente en een half jaar voor de rechtbank. De schadevergoeding bedraagt € 500 per half jaar waarbij de overschrijding wordt afgerond naar boven. Omdat sprake is van overlap bij de overschrijdingen wordt één half jaar evenredig verdeeld. De gemeente betaalt daarom € 3750 en de Minister van Justitie € 750. Rechtbank Roermond 15 november 2011, LJN: BU5822

Bij berekening redelijke termijn is tijdsverloop door terugwijzing door rechtbank naar heffingsambtenaar voor rekening heffingsambtenaar Rechtbank Breda oordeelt dat de eerdere terugwijzing van de zaak naar de heffingsambtenaar wordt toegerekend aan de heffingsambtenaar. Als een zaak na beroep door de rechtbank wordt teruggewezen voor een nieuwe behandeling van het bezwaar, wordt het daardoor ontstane tijdsverloop volledig aan de heffingsambtenaar toegewezen. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar daarom tot een schadevergoeding van € 500. Breda 8 november 2011, LJN: BU5578

Noot: In het juli/augustus nummer van dit blad schreven wij over het arrest van de Hoge Raad (10 juni 2011, LJN: BO5046) waarin werd bepaald dat er recht bestaat op immateriële schadevergoeding wegens spanning en frustratie als een procedure te lang duurt.
De gevolgen van dat arrest komen in bovenstaande uitspraken naar voren. De rechtbank gaat voorbij aan de wettelijke behandeltermijn voor bezwaren in gemeentelijke belastingzaken (waaronder WOZ-zaken) die tot het eind van het jaar duurt.
Die termijn is in de wet opgenomen omdat alle 8 miljoen WOZ-beschikkingen voor begin maart bij belanghebbenden in huis moeten liggen waarna een piek aan bezwaren volgt. De meeste bezwaren tegen WOZ-beschikkingen zijn echter toch binnen een half jaar afgehandeld. Gemeenten moeten die termijn goed in de gaten houden. Een overschrijding daarvan kan twee jaar later zo maar tot een veroordeling van schadevergoeding van € 500 per half jaar leiden. Maar dat betekent niet dat de bezwarenafhandeling afgeraffeld kan worden. Want in dat geval dreigt na beroep terugwijzing door de rechtbank. En dat tijdsverloop wordt dan alsnog toegerekend aan behandeltermijn van de heffingsambtenaar. Snelheid en zorgvuldigheid blijven daarom eisen van de bezwarenafhandeling.

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.