Belastingen en gemeenten

Toeristenbelasting voor verblijf buitenlandse arbeids- krachten
Rechtbank Breda beslist dat de gemeente het verblijf door buiten- landse arbeidskrachten (slaapforensen) in de toeristenbelasting mag betrekken. Belanghebbende bezit een aantal bij elkaar beho- rende gebouwen. Zij verhuurt gemeubileerde kamers aan buiten- landse arbeidskrachten, die werkzaam zijn bij tuinbouwbedrijven in de omgeving. Belanghebbende verzorgt géén schoonmaak, maaltijden, beddengoed of andere huishoudelijke diensten. De huurders zijn niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadminis- tratie persoonsgegevens ingeschreven. In 2009 legt de gemeente aan belanghebbende een aanslag toeristenbelasting op van
€ 28.293,30 (31.437 overnachtingen x € 0,90). Belanghebbende gaat in bezwaar en na afwijzing in beroep. Zij stelt dat de buiten- landse arbeidskrachten ‘slaapforensen’ zijn, waarvoor de gemeen- te alleen de forensenbelasting voor het meer dan 90 dagen nacht- verblijf houden (‘slaapforensenbelasting’) kan heffen (artikel 223 Gemeentewet). Nu de gemeente alleen forensenbelasting heft voor het voor zich of zijn gezin meer dan 90 dagen beschikbaar houden van een gemeubileerde woning (‘woonforensenbelasting’), is heffing niet aan de orde. De rechtbank oordeelt dat het verblijf van de ‘slaapforensen’ valt onder het belastbare feit voor de toeristenbelasting zoals omschreven in de verordening toeristen- belasting. Dat de gemeente in eerdere jaren alleen hief voor recreatief verblijf, doet hieraan niet af. Het beroep is ongegrond. (Rechtbank Breda 14 november 2011, LJN: BU4987)

Noot: Zie Hoge Raad 9 december 2011, LJN: BR6381, voor een eerder jaar waarin de gemeente nog bakzeil haalde met de toeristenbelasting omdat zij toen alleen voor recreatief verblijf toeristenbelasting hief.

Forensenbelasting voor woning van B.V.
Hof ’s-Gravenhage beslist dat de gemeente terecht forensenbelas- ting heft voor het verblijf van een directeur/enig aandeelhouder in de woning van zijn B.V. De B.V. is eigenaar van een in de gemeente gelegen gemeubileerde woning. Aan het gebruik van de woning door de directeur ligt geen schriftelijke overeenkomst ten grond- slag. De gemeente legt X aanslagen forensenbelasting op. Deze zijn in geschil. De rechtbank oordeelt dat de directeur de volledige zeggenschap heeft over de woning en over het gebruik ervan.
Omdat er geen contractuele verplichtingen van de B.V. jegens derden zijn, heeft de directeur feitelijk het gehele jaar de woning tot haar beschikking. De directeur is daarom terecht in de foren- senbelasting betrokken. In hoger beroep bevestigt het hof de uitspraak van de rechtbank. Het beschikbaar houden van een gemeubileerde woning voor zich of zijn gezin doet zich voor, indien die woning uit enige oorzaak meer dan voorbijgaand en  in zekere mate duurzaam ter beschikking staat, ongeacht of ze inderdaad in gebruik is. Ook een louter en niet voorbijgaand gedogen door de eigenaar van het gebruik van de woning kan betekenen dat de woning beschikbaar wordt gehouden door de gebruiker. Het hoger beroep van de directeur is ongegrond. (Hof ’s-Gravenhage 3 januari 2012, LJN: BV0695)

Belastingrechter toetst of gemeente voldoet aan comptabiliteitseisen
De Hoge Raad beslist dat de belastingrechter het recht heeft om te toetsen of de gemeente de begroting volgens het Besluit begroting en verantwoording heeft vastgesteld.
Hof Arnhem beslist dat de belastingrechter geen toetsingsrecht heeft over het al dan niet activeren van een investering in het rioolstelsel. Bovendien kan het rioolrecht (en ook de rioolheffing) volgens het hof als bijdragen van derden direct in aftrek van de investering worden afgetrokken. Belanghebbende gaat in cassatie. In geschil is of de verordening onverbindend is omdat de geraamde baten de geraamde lasten overschrijden. In dat geval moet de heffingsambtenaar inzicht verschaffen in de ramingen, zo stelt de Hoge Raad. Dat kan op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook door andere gegevens die ten tijde van het vaststellen van de verordening niet bekend zijn. De begroting dient daarbij als uit- gangspunt voor de verordening. De Hoge Raad beslist vooral over de twee genoemde oordelen van het hof dat die uitgaan van een verkeerde rechtsopvatting. De belastingrechter heeft het recht te toetsen of is voldaan aan de voorschriften van het Besluit begro- ting en verantwoording. Daarbij kan worden getoetst of een inves- tering als last aan het betreffende belastingjaar kan worden toege- rekend. Het rioolrecht (en de rioolheffing) is geen bijdrage van  een derde die direct van een geactiveerde investering kan worden afgetrokken, aldus de Hoge Raad. Het afkoppelen van verhard oppervlak wordt terecht gezien als investering in het bestaande rioolstelsel en niet als uitbreidingsinvestering. Een dotatie aan het schommelfonds en een onttrekking aan het schommelfonds waar- uit investeringen worden bekostigd zal het verwijzingshof ook moeten onderzoeken. De Hoge Raad vernietigt de beslissing van het hof waarmee belanghebbende niet-ontvankelijk in het inciden- tele beroep is verklaard. Het beroep in cassatie is gegrond.
(Hoge Raad 6 januari 2012, LJN: BR0676)

Noot: Op dezelfde datum heeft de Hoge Raad twee vergelijkbare arresten gewezen (nrs. 10/03677 (LJN: BR0689) en 10/03697 (LJN: BR0707)) vanwege uitspraken van Hof Arnhem op 6 juli 2010. De Hoge Raad vernietigt de principiële beslissing van het hof om zich niet te bemoeien met de wijze waarop investeringen al dan niet geactiveerd worden. De Hoge Raad doet dat door te beslissen dat het geheven bedrag aan rioolrecht niet van het bedrag van de investering in het actief kan worden afgetrokken.

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.