Poen voor groen

Al ruim tien jaar kent Nederland de competitie voor Groenste Stad en Groenste Dorp, waaraan al meer dan honderd gemeenten deelnamen. De kandidaten voor 2012 lopen zich momenteel warm om de jury te overtuigen van hun groene ambities en resultaten. Het maatschappelijke en ecologische belang van groen in de stad is eigenlijk geen discussie meer. De financiering wel. Daarbij verschuift de aandacht van de benodigde investeringen naar de economische meerwaarde. De kunst is om naast de kosten ook de baten objectief en gestandaardiseerd in beeld te krijgen. Hiervoor is een rekenmodel in ontwikkeling.

Groen Loont
‘Met het thema De Groene Stad willen we continu de meerwaarde van groen in een stedelijke omgeving onder de aandacht brengen’, vertelt Roel van Dijk, projectmanager De Groene Stad bij Plant Publicity Holland. ‘Daarbij gaat het om diverse terreinen, zoals wonen, werken, gezondheid en recreatie. De maatschappelijke meerwaarde lijkt buiten kijf, maar we kregen ook steeds weer de vraag naar de economische meerwaarde van groen in de stad. En die is veel lastiger te beantwoorden. Er waren wel cijfers over de waardestijging van onroerend goed bij investeringen in een groene omgeving, maar andere thema’s zijn lastiger te berekenen. Daarom hebben we vorig jaar met diverse organisaties de campagne Groen Loont opgestart. Op verschillende manieren zijn praktijkvoorbeelden gepubliceerd om de economische baten van stedelijk groen te illustreren. Zo willen we aantonen dat groen geen kostenpost is, maar economische meerwaarde heeft.’ 

Onderdeel van de campagne was de publicatie van een kleurrijk praktijkgericht boekje met divers cijfermateriaal dat de ideeën over het nut van groen in en om de stad kan ondersteunen1. Het boekje werd in 2011 breed verspreid, onder andere onder wethouders Financiën, Openbare Ruimte en Sociale Zaken. Ook is een inspirerende poster ontwikkeld waarin een groot aantal concrete baten van stedelijk groen zijn samengebracht. Met vier nieuwsbrieven en een congres werd het thema van de economische waarde verder benadrukt. ‘Bij de verkiezingen van Groenste Stad en Groenste Dorp van 2012 is de economische waarde van het groen als extra criterium toegevoegd’, aldus Van Dijk.

Warming up
Henk Kuijpers, strategische adviseur Openbare Ruimte bij de gemeente Apeldoorn, ziet Groen Loont als een goede aanzet voor de ontwikkeling van een rekenmodel voor groen in en om de stad, waarvan hij projectleider is. ‘Groen Loont was een warming up. Het heeft geholpen om mensen het besef bij te brengen dat we naar de economische kant van het groen moeten kijken. Dit is van oorsprong een werkgebied van idealisten, maar met economische argumenten sta je sterker.
De ontwikkeling van een rekenmodel is dus een logische vervolgstap.’

 Het rekenmodel kreeg de naam ‘TEEB in de stad’. Hiermee sluit het aan bij de wereldwijde beweging TEEB (The Economics of Ecosystems and Biodiversity), een beweging die zich bezighoudt met het teruglopen van de biodiversiteit. In Nederland is dit thema onder andere opgepakt door de Taskforce Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpmiddelen, die december 2011 verslag uitbracht2. ‘We moeten economie en ecologie niet langer als tegenpolen zien, maar onderkennen dat de economie zijn basis vindt in de ecologie’, stelt taskforce-voorzitter Hans Alders in het voorwoord. Het rapport concludeert onder andere dat er op lokaal en provinciaal niveau veel winst kan worden geboekt door budgetten voor brede initiatieven op het vlak van leefomgeving, milieu, ruimtelijke inrichting, biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen te bundelen.

Winst boeken met biodiversiteit, het kan dus. Daarvan is Henk Kuijpers overtuigd: ‘Realisatie van groen en water in en om de stad biedt belangrijke kansen voor biodiversiteit én de economie. Het rekenmodel moet dat bewijzen. Groen wordt gezien als kostenpost, net als bijvoorbeeld wegen.
Maar tegenover de kosten staan baten. Anders dan in de wegenbouw moeten we de economische baten van groen meer bewijzen. En dat is lastig, want de maatschappelijke voordelen, zoals gezondheid en welzijn, zijn nog niet altijd genormeerd. Met het rekenmodel willen we die baten transparant maken. Dat geeft beleidsmakers meer materiaal in handen bij discussies over groene investeringen in de stedelijke ruimte. Bovendien biedt het op den duur openingen voor kostenverhaal op partijen die meeprofiteren.’

Breder denken
TEEB in de stad is een gezamenlijke actie voor financiële innovatie van Rijk en gemeenten. Als eerste stap heeft adviesbureau Witteveen+Bos kengetallen en formules uit diverse internationale onderzoeken samengebracht. Twaalf steden doen mee met de eerste ronde van het project. Zij hebben allemaal een praktijkcase ingebracht die aan de hand van de complete verzameling kengetallen wordt doorgelicht. ‘Dat blijkt in de praktijk nog niet zo eenvoudig’, vertelt Kuijpers. ‘De betrokken medewerkers hebben vooral een achtergrond in landschapsarchitectuur en ecologie. Voor het toepassen van de kengetallen uit het rekenmodel, moeten ze bij andere afdelingen langs. Het vraagt een omschakeling in het denken. Het is een goede ontwikkeling om de projecten breder te trekken.’

Met prijsvragen op de kaart

De filosofie van De Groene Stad wordt door diverse organisaties ondersteund.

De meest in het oog springende activiteiten zijn de diverse prijsvragen die Entente Florale organiseert:

  • De nationale groencompetitie: verkiezing van de groenste stad en het groenste dorp van Nederland. Winnaars in 2011 waren Ermelo en Dwingelo. Kandidaten voor 2012 zijn de steden Haarlem, Nunspeet, Roosendaal en Weert en in de categorie dorpen en kleine steden Bergeijk, Someren, Valkenburg met de kern Schin op Geul, Wierden en Woudenberg.
  • De Groene Stad Award voor een stedelijk groenontwerp waarbij de nadruk ligt op integrale samenwerking van de hele ontwerpkolom. Deze award werd in 2011 toegekend aan Park Schinkeleilanden in Amsterdam.
  • De prijsvraag Groene Speelplekken waarbij wordt gelet op duurzaamheid, ecologische waarde maar ook de uitdaging bewegen. Winnaar in 2011 was een natuurspeelplek in Zoetermeer.
    Entente Florale is een samenwerkingsverband van ANWB, ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Natuurmonumenten, Vereniging Stadswerk en diverse brancheorganisaties uit de land- en tuinbouw. Zie voor meer informatie: www.degroenestad.nl en www.ententeflorale.nl

Het model dwingt de betrokkenen om op een andere manier naar de ontwikkeling van groen in en om de stad te kijken. Niet vanuit een eigen programma van eisen, maar door de diverse maatschappelijke baten te inventariseren. Dat daagt uit ook naar andere partijen te kijken dan je in eerste instantie zou denken. Zoals de doorwerking naar een aangrenzende buurt of bedrijf. Per kwaliteitsverbetering worden vervolgens op basis van de kengetallen de economische baten concreet gemaakt. Dit geeft beleidsmakers antwoord op de vraag of de investeringen in balans zijn met de te verwachten resultaten. Bovendien is het mogelijk varianten door te rekenen waarbij verschillende maatschappelijke belangen worden gewogen.

Investeren en profiteren
Maar misschien nog wel belangrijker: in het rekenmodel wordt duidelijk bij welke partijen de baten terecht komen. Wie investeert en wie profiteert? Kuijpers: ‘Investeringen vanuit de overheid blijken voordelen op te leveren voor andere partijen. Woningeigenaren, zorginstellingen, waterketenbedrijven en ondernemers. Door die partijen vooraf in beeld te krijgen, zou je dus ook kunnen nadenken over spreiding van de investeringen. Het rekenmodel geeft je daarvoor argumenten in handen.’

Maar zover is het nog niet. De ontwikkeling van het model is in volle gang. Het functioneel ontwerp van de rekenmodule is afgerond en wordt nu door de deelnemende gemeenten toegepast op een groenproject. In de loop van 2012 denkt Kuijpers het model te kunnen presenteren op basis van de eerste uitgewerkte cases. Zijn uiteindelijke doel is dat alle gemeenten het model gaan hanteren, zodat objectieve vergelijking mogelijk wordt. ‘Het is een community of practice, dus we blijven bezig het model te optimaliseren.’

Katalysator stadseconomie
Ook zonder een in detail uitgewerkt rekenmodel zijn veel steden al bezig met investeringen in een groene woonomgeving.
Annemieke Fontein, hoofd Stedenbouw en Landschapsarchitectuur bij de gemeente Rotterdam: ‘Wij zijn al ruim tien jaar bezig met een kwaliteitsslag in de openbare ruimte, vanuit het besef dat dit bijdraagt aan de economie van de stad. Er zijn standaarden vastgelegd in het Handboek Rotterdams Stijl. Ook groen speelt daarbij een belangrijke rol. Vanwege de beeldkwaliteit, maar ook om de luchtkwaliteit te verbeteren en ter bestrijding van hittestress, teveel temperatuurstijgingen in de stad.’

Een van de projecten was de renovatie van het stadspark in Rotterdam Zuid, een investering van 30 miljoen euro. Dit heeft ook economische baten opgeleverd: de WOZ-waarde van de omliggende woningen is gestegen en makelaars gebruiken tegenwoordig de ligging bij het Zuiderpark als verkoopargument. Investeringen in groen hebben in Rotterdam verschillende redenen: milieu, sociale cohesie, gezondheid maar vooral ook het economisch perspectief.
Fontein: ‘Een goede openbare ruimte in bijvoorbeeld de binnenstad zorgt ervoor dat mensen er langer verblijven. Zo werken de investeringen dus als katalysator van de stadseconomie.’

Moestuin of stadsboerderij
Een relatief nieuwe ontwikkeling op het gebied van stedelijk groen is stadslandbouw. Rotterdam is een van de gemeenten die hierin interessante kansen ziet. ‘Stadslandbouw is voor mij een belangrijk middel om Rotterdam aantrekkelijker en gezonder te maken’, schrijft Alexandra van Huffelen, wethouder Duurzaamheid, Binnenstad en Buitenruimte in een nota. Het verbouwen van voedsel in en om de stad draagt immers bij aan drie beleidsdoelstellingen van het college: het verbeteren van de gezondheid van Rotterdammers, het versterken van duurzame economische ontwikkeling en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, zowel in de stad als door het behoud van waardevolle landschappen rond de stad.

Stadslandbouw kent twee soorten initiatiefnemers: particulieren die in de directe omgeving van hun woning een moestuin willen aanleggen en ondernemers die hiermee willen aansluiten bij de groeiende behoefte aan duurzaam en gezond voedsel uit de regio. Voor beide groepen wil de gemeente een faciliterende rol spelen, initiëren is niet nodig want de initiatieven ontstaan als vanzelf. Fontein: ‘De gemeente heeft slechts een beperkt uitvoeringsbudget, we leggen veel initiatieven terug bij de markt maar we helpen mensen wel op weg en stimuleren de vorming van nieuwe coalities.’

Rekenmodel TEEB in de stad

Het rekenmodel bestaat uit vier stappen:

  1. Per maatregel de kwaliteitsveranderingen inventariseren. Denk hierbij breed aan veranderingen op het gebied van luchtkwaliteit, water, recreatie, gezondheid, cultureel erfgoed.
  2. Per kwaliteitsverandering de economische baten beschrijven. Daarbij gaat het zowel om opbrengsten als vermeden kosten.
  3. Op basis van wetenschappelijk vastgestelde kengetallen de baten kwantificeren. Zo wordt duidelijk of er een balans is tussen kosten en baten.
  4. Benoemen welke partijen investeren en wie profiteren. Dit maakt het mogelijk te zoeken naar nieuwe verdienmodellen.

Sociale cohesie
De bewonersinitiatieven maken gebruik van tijdelijk braakliggende bouwterreinen of weinig gebruikte groenstroken. Soms gaat het ze niet alleen om het verbouwen van voedsel, maar vooral om de gezamenlijke activiteit. De moestuin is dan een vorm van placemaking: je directe omgeving eigen maken. Dit speelt bijvoorbeeld in nieuwbouwwijken waar de sociale cohesie nog moet groeien. Andere tuiniers gaat het juist wel om het product. Rotterdammers van allochtone afkomst gebruiken de moestuinen om groentes te verbouwen  die ze in het reguliere aanbod missen.

‘Particuliere kleinschalige tuiniers hebben niet zoveel van de gemeente nodig’, vertelt Fontein. ‘Soms vragen ze informatie over de bodemgesteldheid en toestemming om aan de gang te gaan, maar verder redden ze zich wel. Wel is het belangrijk dat de informatie vanuit de verschillende deelgemeenten eenduidiger wordt. We werken nu aan een voorlichtingsfolder en een overzichtskaart van de terreinen die de komende jaren nog beschikbaar zijn voor stadslandbouw. Daarbij moeten we wel duidelijk aangeven hoe lang die tijdelijkheid is. Maar dat geldt ook vanaf de andere kant: elk project valt of staat bij een klein groepje mensen dat zich hiervoor een tijd inzet.’

Inventieve oplossingen
Een tweede, meer commerciële vorm van stadslandbouw vindt vooral plaats in de directe omgeving van de stad. Hier gaat het om boeren die niet willen werken voor anonieme afnemers maar hun producten rechtstreeks in de regio willen aanbieden. Soms combineren zij hun agrarische activiteiten met zorg- of werkervaringsprojecten. Fontein: ‘Dergelijke projecten zijn soms
 
moeilijker rendabel te maken, vanwege de kleine productiecapaciteit en logistieke problemen voor de levering. Door het organiseren van netwerkbijeenkomsten met diverse partijen hebben we hieraan een bijdrage kunnen leveren. Het eerste doel was kennisuitwisseling, leren van elkaars ervaringen. Maar de bijeenkomsten hebben ook al geleid tot samenwerkingsvormen tussen stadsboeren, tussenhandel, horeca, scholen, groenopleidingen en werkgelegenheidsprojecten.’

Maar daarmee is de stad er nog niet. ‘Om stadsboeren goed op gang te helpen moet er nog wel het een en ander gebeuren in de regelgeving. Het aanpassen van bestemmingsplannen voor ander gebruik zou soepeler moeten gaan’, vindt Fontein. ‘Dan kunnen we flexibeler inspelen op de vraag naar inventieve en innovatieve oplossingen.’

Elkaar versterken
De stad en het groen hebben elkaar nodig en kunnen elkaar versterken. In een groene stad is het prettiger wonen, werken en recreëren en de gezondheid van bewoners gaat erop vooruit. Maar groen in en om de stad is niet alleen van belang voor leefbaarheid en welzijn, de baten zijn breder. Annemieke Fontein: ‘Als stad hebben wij een economisch belang bij meer diversiteit in het groen. Stadslandbouw levert daaraan een belangrijke bijdrage.’
Andersom biedt de stad kansen op het gebied van biodiversiteit. Henk Kuijpers: ‘Biodiversiteit is in een gevarieerde stedelijke omgeving vaak veel groter dan in een monotoon agrarisch gebied. Om de doelstellingen van de Taskforce Biodiversiteit en Natuurlijke Hulmiddelen te behalen hebben we de stad dus hard nodig.’

Trefwoorden: Tags: Economie

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.