Uitgelicht

Beperkte toename gemeenteschuld in 2011
Het overheidstekort over 2011 is volgens het CBS uitgekomen op 4,7 procent. Het tekort van gemeenten daarin is ten opzichte van 2010 met 1 miljard euro gedaald naar 3 miljard euro. Maar dit zijn cijfers volgens de definitie voor het emu-saldo. Hoe hebben de schulden van gemeenten zich daadwerkelijk ontwikkeld? Daarvoor werpen we een blik op de kwartaalcijfers die gemeenten bij het CBS aanleveren.

Ten opzichte van de cijfers voor het vierde kwartaal 2010 is de brutoschuld (exclusief overlopende passiva) van de gezamenlijke gemeenten eind vierde kwartaal 2011 toegenomen van 44,6 miljard naar 45,0 miljard euro. Dat is een toename van slechts 400 miljoen euro.
Tegenover de schulden staan geldelijke vorderingen in de vorm van banktegoeden. Kijken we naar de ontwikkeling van de nettoschuld van de gezamenlijke gemeenten door de banktegoeden in mindering te brengen, dan is de nettoschuld in 2011 toegenomen van 36.4 miljard naar 38,1 miljard euro. Dit is een nettofinancieringsaldo van 1,7 miljard euro.
Bij deze mutatie van de nettoschuld zijn de leningen aan derden en leningen aan verbonden partijen buiten beschouwing gelaten. Die leningen worden verstrekt vanwege de gemeentelijke publieke taak. Men had de middelen politiek gezien  ook voor een ander publiek doel kunnen inzetten, bijvoorbeeld voor recreatie-
voorzieningen. Het is daarom wel zo zuiver ze buiten het nettofinancieringsaldo te houden. Wel zijn in bovenstaand netto-financieringsaldo de overlopende activa en passiva meegewogen.

Toch vreemd dat het emu-saldo voor gemeenten met het bovenstaande netto-financieringsaldo van 1,7 miljard euro en de toename van de brutoschuld met 400 miljoen euro, uitkomt op een tekort van 3 miljard euro. Het emu-saldo is blijkbaar een gemeentevreemd saldo.

Macrobudget jeugdzorg onder de loep
Voor de vaststelling van het macrobudget voor de decentralisatie van de jeugdzorg hebben het Rijk en de VNG in de bestuurlijke afspraken 2011-2015 een rekenregel afgesproken. Die rekenregel bestaat uit twee delen. Het eerste deel is de begrotingsgefinancierde jeugdzorg, waaronder de provinciale jeugdzorg. Het gaat hierbij om ongeveer 1,5 miljard euro. Het tweede deel bestaat uit de niet-begrotingsgefinancierde jeugdzorg. Die betreft vooral de jeugd-GGZ die nu wordt gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet en de jeugd-LVB (hulp voor jeugd met een lichte verstandelijke beperking) die nu wordt gefinancierd vanuit de AWBZ. Ook dit tweede deel kent een omvang van ongeveer 1,5 miljard euro.

 

De rekenregel is helder. De uitkomst nog niet. Het is de bedoeling dat gemeenten in de meicirculaire gemeentefonds 2013 kunnen lezen wat de hoogte van de individuele decentralisatie-uitkering is die zij in 2015 krijgen voor de jeugdzorgtaken. Maar
het bedrag dat in mei 2013 wordt genoemd kan niet het definitieve bedrag zijn dat gemeenten  ontvangen.
Zo is voor de begrotingsgefinancierde jeugdzorg bepaald dat het begrote bedrag voor 2014 meetelt in het macrobudget.
Het definitief begrote bedrag voor 2014 is pas bekend op Prinsjesdag 2013, niet in mei 2013. De nieuwe bezuinigingsmaatregelen van het kabinet kunnen invloed hebben op dit onderdeel van het macrobudget. Dus mocht het kabinet besluiten om de begrotingsgefinancierde jeugdzorg in 2014 te korten, dan heeft dat een negatief effect op het jeugdzorgbudget voor gemeenten vanaf 2015.

Voor de niet-begrotingsgefinancierde jeugdzorg geldt dat de gerealiseerde uitgaven over 2012 meetellen in het macrobudget. Onder de Zorgverzekeringswet kunnen facturen voor zorg die in 2012 is verleend nog tot en met 2014 gedeclareerd worden. In mei 2013 is er dus geen definitief beeld van de gerealiseerde uitgaven over het jaar 2012. Natuurlijk is dat definitieve bedrag te schatten via een vuistregel.
Bijvoorbeeld door uit eerdere jaren op te maken welk deel van de verleende zorg in het betreffende kalenderjaar zelf wordt gedeclareerd en welk deel in de twee jaren daarna. Het kan zijn dat het gedeclareerde deel in het eerste jaar een stabiel beeld geeft over de jaren sinds 2006 (invoeringsjaar van de Zorgverzekeringswet). Als dat het geval is, is een extrapolatie van het bedrag dat ín 2012 over het jaar 2012  wordt gedeclareerd een redelijk betrouwbaar alternatief voor de exactere berekening die pas begin 2015 te maken is.
De gerealiseerde uitgaven over 2012 worden nog drie jaar geïndexeerd met de geraamde groeivoeten uit het Budgettair Kader Zorg (BKZ) die van toepassing zijn. Op die manier worden de gerealiseerde uitgaven over 2012 vertaald naar 2015. Het BKZ is de financiële ruimte die het kabinet aanvaardbaar acht voor de zorg. Deze zorg is onderverdeeld in sectoren en deelsectoren. Binnen het BKZ is een bepaalde groei van de uitgaven toegestaan. Uit deze groeiruimte moeten onder andere demografische ontwikkelingen en innovatie worden betaald. De groeiruimte kan wijzigen op basis van een door het kabinet gehanteerde vaste index zoals de prijs Nationale Bestedingen (pNB). Maar het kan ook muteren als gevolg van beleidsmatig ingrijpen. Het BKZ kan dus aangepast worden op basis van afspraken binnen het kabinet, zowel in positieve als in negatieve zin. Voor de decentralisatie begeleiding naar de Wmo is afgesproken dat het macrobudget met 2010 als basisjaar tot en met 2013/2014 met 2,5 procent stijgt. Die duidelijkheid - een vast indexatiepercentage - is er voor het macrobudget van de decentralisatie jeugdzorg dus niet.
Mogelijk nieuwe bezuinigingsmaatregelen van het kabinet op de niet-begrotingsgefinancierde jeugdzorg hebben geen invloed op het macrobudget vanaf 2015. Immers, de gerealiseerde uitgaven over 2012 veranderen daardoor niet.

Duidelijkheid over de decentralisatieuitkering voor individuele gemeenten in  de meicirculaire gemeentefonds 2013 is  het doel. Een onafhankelijke instantie toetst de eerder aangehaalde rekenregel. Om de zekerheid over het bedrag dat in de meicirculaire 2013 wordt opgenomen te vergroten, is het zaak dat die toets plaatsvindt voorafgaand aan mei 2013. Dus niet in mei 2014, zoals oorspronkelijk was overeengekomen in de bestuurlijke afspraken. Als voor het niet-begrotingsgefinancierde deel de gerealiseerde uitgaven over 2012 pas na 2014 bekend worden, is een tweede definitief onderzoek van de onafhankelijke instantie begin 2015 een must.
Want het macrobudget kan dan ook pas in 2015 definitief worden vastgesteld.
Al met al is het vaststellen van het macrobudget voor 2015 - het eerste jaar dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de gehele jeugdzorgketen - geen sinecure. Hoe het macrobudget zich na 2015 ontwikkelt, is nog onduidelijk. Voor de indexering van het macrobudget vanaf 2016 is bepaald dat bij de evaluatie van de normeringssystematiek in 2015 daarover afspraken worden gemaakt. Maar het zou niet het eerste onderdeel zijn dat eerder wordt opgepakt dan in het voorjaar 2011 bij het sluiten van de bestuurlijke afspraken 2011-2015 was voorzien.
 

Evaluatie SiSa brengt verlichting
Veel gemeenten zijn volop bezig met de voorbereiding van het vaststellen van de gemeentelijke jaarrekening. Daaronder valt het vaststellen van de verantwoordingsinformatie over de besteding van specifieke uitkeringen. Het blijft een beetje vreemd document in de jaarrekening, die SiSa-bijlage waarin de verantwoordingsinformatie aan het Rijk over alle specifieke uitkeringen is opgenomen.
Maar sinds SiSa is ingevoerd, zijn de accountantskosten aanmerkelijk gedaald. En ook is er sinds SiSa bij de financiële afdeling van de gemeente zicht op alle bijdragen uit specifieke uitkeringen. Dat laatste heeft een prijs. Ook alle bureaucratie rondom de verantwoording specifieke uitkeringen is daarmee geconcentreerd bij de financiële afdeling.

De begeleidingscommissie SiSa-evaluatie doet daarvoor een aantal praktisch aanbevelingen die in de toekomst verlichting moeten brengen. We sommen de belangrijkste verbeteringen op die zijn te lezen in het evaluatierapport.
- Analoog aan het rijkssubsidiekader adviseert de commissie om geen verantwoording meer te vragen over bijdragen uit specifieke uitkeringen kleiner dan
125.000 euro. Dat zal zeker bij kleine gemeenten een slok op de borrel schelen. Het betekent wel dat het Besluit Accountantscontrole Decentrale Overheden moet worden aangepast.
- De rijksbeschikkingen over de bijdragen uit specifieke uitkeringen moeten voor gemeenten digitaal op een centrale plek raadpleegbaar worden.
- Voor herziene aanleveringen stelt men vaste data voor. Gemeenten hoeven daarmee niet voor elke vraag van een individueel ministerie de SiSa-bescheiden opnieuw in te sturen. Dat kan voortaan in één keer voor alle aanvullende vragen vanuit het Rijk. En natuurlijk ook voor het rechtzetten van eigen fouten.
- De jaarrekening en het jaarverslag, die bij de meeste gemeenten uit één document bestaan, kunnen wat de commissie betreft als één pdf-document worden aangeleverd in plaats van twee.
- De lay-out van de SiSa-bijlage moet aangepast met als doel deze leesbaarder te maken. Een bijlage in A4-formaat is handzamer.
- Voor meerjarige bijdragen uit specifieke uitkeringen met slechts één eindverantwoording wordt een kolom cumulatieve bestedingen aanbevolen.
- De klankbordgroep uit gemeentelijke kring moet een zwaardere taak krijgen bij de inhoudelijke toets op de vorm van de gevraagde verantwoordinginformatie.
- Modelbepalingen zijn wenselijk om de beschikkingen en besluiten over specifieke uitkeringen van de verschillende ministeries te uniformeren.

In het rapport valt ook te lezen dat de VNG het probleem van het buitenproportionele sanctiebeleid van een enkel ministerie (SZW) heeft geagendeerd. Maar dat valt strikt genomen buiten SiSa. Het is onderdeel van de desbetreffende specifieke regelingen zelf. Maar het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft als systeemverantwoordelijke voor de specifieke uitkeringen toegezegd dit probleem samen met de VNG buiten het kader van de evaluatie op te pakken.

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.