Uitgelicht

Decentralisatie AWBZ-begeleiding onder de loep

Met de val van het kabinet en het Lente-akkoord dat daarop volgde, zijn roerige tijden aangebroken voor de decentralisatie van de AWBZ-begeleiding. Oorspronkelijk zouden gemeenten vanaf 1 januari 2013 verantwoordelijk worden voor nieuwe cliënten en voor cliënten met een herindicatie. In 2014 zou ook de bestaande groep cliënten overgaan naar de Wmo. Deze tweedeling lijkt nu van de baan; in 2013 wordt de AWBZ-begeleiding nog niet gedecentraliseerd. Dit uitstel kost het Rijk 80 miljoen euro. Daarnaast heeft de Tweede Kamer deze decentralisatie controversieel verklaard. De behandeling van het wetsvoorstel wordt uitgesteld totdat er een nieuw kabinet is, en dat is op zijn vroegst eind dit jaar. Omdat afgesproken is dat gemeenten minimaal één jaar voorbereidingstijd krijgen tussen de afronding van de wetgeving en de inwerkingtreding ervan, is het dus onzeker of de decentralisatie per 1 januari 2014
te realiseren is. Dit alles nog los van de benodigde politieke wil om deze decentralisatie door te zetten.

In deze turbulente tijd is een aantal ontwikkelingen relevant voor de toekomst van deze decentralisatie-operatie.

 

Macrobudget
De Algemene Rekenkamer heeft op verzoek van de staatssecretaris van VWS en de VNG onderzoek gedaan naar de omvang van het macrobudget dat naar de gemeenten overgaat. De Rekenkamer heeft onderzocht of het ministerie dit budget volgens de zogenaamde rekenregel in het Bestuursakkoord heeft berekend, of er voldoende zekerheid bestaat over de betrouwbaarheid van het bronmateriaal  en of de aannames voldoende zijn onderbouwd. Deze rekenregel houdt kort
 
gezegd in dat het budget dat gemeenten in 2014 krijgen, gebaseerd is op de AWBZ-uitgaven voor begeleiding in 2010 en opgehoogd wordt met de jaarlijkse groeivoet van gemiddeld 2,5 procent uit het Budgettair Kader Zorg (BKZ) en een nominale index. Op het berekende bedrag wordt vervolgens een aantal correcties toegepast; onder andere voor de IQ-maatregel, de maatregelen over het persoonsgebonden budget (PGB) en de efficiencykorting van 5 procent. Deze toets door een onafhankelijke instantie is belangrijk voor gemeenten omdat het een taak met omvangrijk budget betreft, in de buurt van 2,8 miljard euro.
De Rekenkamer concludeert dat het ministerie het over te hevelen bedrag grotendeels conform de afspraken heeft berekend. Wel maakt de Rekenkamer kanttekeningen bij twee onderdelen (een derde kanttekening is niet relevant nu er in 2013 niets gedecentraliseerd wordt).
1. De afspraak over de volumegroei tussen 2010 en 2014 (2,5 procent uit het BKZ)  is niet duidelijk waardoor die ook niet toegepast kan worden.
2. De aanname die het ministerie hanteerde voor de correctie van de PGB-maatregel is niet voldoende onderbouwd.
Het Rijk stelt dat 32 procent van de PGB-houders afziet van publiek gefinancierde zorg als hun PGB vervalt. Zij stappen dus niet over naar zorg in natura. Daarvoor zouden gemeenten geen financiering krijgen. De Rekenkamer constateerde dat dit percentage vraaguitval een aanname is die niet voldoende zeker is. Terwijl dat percentage substantiële gevolgen heeft voor het macrobedrag. Nader onderzoek moet beter uitwijzen in welke mate PGB-houders afzien van begeleiding.
Ook nu deze decentralisatie in 2013 niet doorgaat, is het rapport van de Algemene Rekenkamer nuttig voor de toekomst. Het is input bij (bestuurlijk) overleg met gemeenten over het over te hevelen bedrag.

IQ-maatregel
De IQ-maatregel, die de toegang tot de AWBZ zou beperken door de IQ-grens te verlagen van 85 naar 70 punten, moest op termijn een besparing van 250 miljoen euro opleveren. Deze maatregel is door de partijen achter het Lenteakkoord ingetrokken, waardoor de uiteindelijke besparing ongeveer 200 miljoen euro lager uitkomt. In 2013 alleen al kost dit het Rijk 60 miljoen euro.

Invoeringsbudget AWBZ-begeleiding
In de septembercirculaire 2011 is opgenomen dat gemeenten ter dekking van de (transitie)kosten van de decentralisatie AWBZ-begeleiding in 2012 47,6 miljoen en in 2013 32,0 miljoen euro krijgen. Nu de invoering in 2013 niet meer aan de orde is, komt het invoeringsbudget 2013 mogelijk ter discussie te staan. Deze beweging is tegengesteld aan die bij de Wmo in 2006. Toen was een jaar uitstel van die wet juist aanleiding om een jaar extra invoeringsbudget toe te kennen aan gemeenten (30 miljoen euro in 2006).

Al met al bieden deze maatregelen duidelijkheid voor cliënten, gemeenten en andere belanghebbenden zoals zorgaanbieders. Een beetje duidelijkheid tenminste, in ieder geval totdat een nieuw kabinet straks aan zet is.

VPB-plicht indirecte overheidsbedrijven

Al enige jaren hangt het onderwerp vennootschapsbelastingplicht   (VPB-plicht) voor overheidsbedrijven in de lucht. Nu nog zijn ondernemingsactiviteiten van overheden in beginsel vrijgesteld van de plicht om vennootschapsbelasting over behaalde winst af te dragen. Dit geldt zowel voor winstgevende economische activiteiten uitgevoerd door de overheid zelf als voor economische activiteiten uitgevoerd door overheids-NV’s, BV’s, stichtingen, coöperaties en verenigingen. Slechts in de wet opgesomde activiteiten van overheden vallen onder de VPB-plicht. Op 11 mei 2012 heeft de staatssecretaris van Financiën een brief met een achterliggende notitie naar de Tweede Kamer gezonden waarin hij stappen aankondigt om het bestaande belastingregime voor de VPB-plicht van overheden te wijzigen. Dit naar aanleiding van een verzoek van de Tweede Kamer uit 2008 om een uitwerking van de voor- en nadelen van de zogenoemde ondernemingsvariant. Die variant houdt in dat alle overheidsbedrijven, dus ook de niet-zelfstandige overheidsbedrijven die deel uitmaken van de overheidsorganisatie zelf, net als commerciële partijen VPB-plichtig worden.

Concurrentieverstoring
Aanleiding voor de wijziging van het huidige regime voor VPB-plicht is volgens de staatssecretaris tweeledig. Ten eerste is het huidige kabinet tegenstander van oneerlijke concurrentie door overheidsbedrijven. In het verlengde van de onlangs aangenomen Wet markt en overheid moet ook op het terrein van de belastingplicht een gelijk speelveld worden gecreëerd.
Omdat overheidsbedrijven niet VPB-plichtig zijn, hebben deze een voordeel ten opzichte van commerciële marktpartijen. Deze fiscale concurrentieverstoring is volgens de staatssecretaris in de afgelopen decennia toegenomen vanwege een  steeds meer gemengde markt. De wet uit 1956 is niet meer op de huidige economische ordening toegesneden.

De tweede aanleiding voor wijziging van het regime is Brussel. De Europese Commissie doet volgens de staatssecretaris onderzoek naar de wijze waarop overheidsbedrijven in Nederland in de heffing van de vennootschapsbelasting worden betrokken. De Nederlandse regeling roept conflict op met de Europese staatssteunregels. Die regels verbieden in beginsel oneigenlijke voordelen aan ondernemingsactiviteiten die zijn bekostigd met belastingmiddelen. Ook van ondernemingsactiviteiten van overheden. Het niet afdragen van belasting wordt in dit Europees recht in bepaalde gevallen gezien als een subsidie in de vorm van een belastingkorting.

Indirecte ondernemingsvariant
In zijn brief ontraadt de staatssecretaris de invoering van de ondernemingsvariant voor de VPB-plicht van overheidsbedrijven. Als alternatief stelt hij de indirecte ondernemingsvariant voor. Daarbij gaat alleen voor ondernemingsactiviteiten van overheids-NV’s, BV’s, stichtingen en verenigingen een VPB-plicht gelden. Activiteiten van overheden zelf blijven bij deze variant buiten schot.
Als reden geeft de staatssecretaris dat overheden anders voor inhuisactiviteiten hoge administratieve lasten moeten maken om aan de VPB-plicht te kunnen voldoen. Zo moet voor elke ondernemingsactiviteit van de overheid zelf die onder
de VPB-plicht zou komen te vallen, een openingbalans worden opgesteld met een gescheiden boekhouding. Ook worden met de invoering van de ondernemingsvariant meerdere (semi-)publieke diensten in de heffing betrokken. Dat legt juist een extra beslag op de financiële middelen van overheden. Een VPB-plicht tast inkomsten uit winst van overheden aan, maar dat niet alleen.
Met een VPB-plicht worden mogelijk ook overheidsbijdragen en overschotten voor langjarige reserveringen wegbelast.
Het gevolg is een opwaarts effect op de prijzen, die de burger moet betalen.
Tot slot is volgens de staatssecretaris het tijdstip voor invoering van een ondernemingsvariant ongunstig. Decentrale overheden staan voor een aantal grote decentralisaties. Is het wel verstandig om nog meer ingrijpende wijzigingen tegelijkertijd te laten plaatsvinden?
De staatssecretaris geeft aan dat voor de uitwerking van de indirecte ondernemingsvariant nog aanvullend onderzoek nodig is naar de financiële gevolgen en administratieve lastenverzwaring voor overheden en naar de uitvoeringslasten bij de belastingdienst. Ook wil de staatssecretaris als randvoorwaarde nadere afspraken maken met ministeries, gemeenten, provincies en waterschappen. Hij wil voorkomen dat bijvoorbeeld de ene gemeente een ondernemingsactiviteit in eigen huis uitvoert, terwijl een andere gemeente dezelfde activiteit heeft ondergebracht in een overheids-NV. De staatssecretaris wil vastleggen welke activiteiten voortaan in eigen huis moeten worden georganiseerd en welke activiteiten worden verzelfstandigd door ze onder te brengen bij private rechtspersonen.

Ondertussen is de Eerste Kamer begonnen met het parlementair onderzoek naar de privatiseringen van de afgelopen jaren. De meeste ondervraagde prominenten plaatsten vraagtekens bij nut en noodzaak van meerdere van die privatiseringen zoals de verzelfstandiging van het loodswezen.
Vaak is bij die besluiten de burger uit het oog verloren en dat moet toch het richtpunt zijn, was het geluid. Hoe gaat dat uitvallen voor de voorgestelde wijzigingen in het kader van een VPB-plicht indirecte overheidsbedrijven?

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.