Belastingen en gemeenten

Leges identiteitskaart op grond van reparatiewet met terugwerkende kracht toegestaan
De gemeente heeft van X op 10 oktober 2011 leges voor een Nederlandse identiteitskaart (ID-kaart) geheven. X bestrijdt deze legesheffing gelet op HR 09-09-2011, LJN:BQ4105, waarin de Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van dienstverlening. Aan de reparatiewet (Stb. 2011, 440) had de wetgever volgens X geen terugwerkende kracht tot en met 22 september 2011 mogen verlenen.
De rechtbank vindt bijzondere omstandigheden voor de terugwer- kende kracht aanwezig. De hoeveelheid aanvragen die is ingediend na het bekend worden van de uitspraak van de Hoge Raad en de gederfde inkomsten van gemeenten, heeft de wetgever naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid als bijzondere omstandig- heden kunnen aanmerken. De terugwerkende kracht is beperkt tot de dag nadat de belastingplichtigen kennis hebben kunnen nemen van de indiening van het reparatiewetsvoorstel. De gemeente heeft niet opgeroepen te wachten met het aanvragen van een ID-kaart en gehandeld volgens de instructie van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die aangaf alle aanvragen om een ID-kaart in behandeling te nemen. De beroepsgrond dat de ID-kaart gratis zou moeten zijn, omdat een burger wordt gedwon- gen kosten te maken om te kunnen voldoen aan zijn identificatie- plicht, heeft X pas ter zitting naar voren gebracht. De rechtbank besteedt daarom geen aandacht aan die grond. Het beroep is wel gegrond omdat de gemeente verzuimd heeft X in de bezwaarfase te horen. Dit verzuim kan niet met een beroep op artikel 6:22 Awb worden gepasseerd. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen ervan in stand. (Rechtbank Utrecht 05-07-2012, 11/4160 (Utrecht), LJN: BX1185, vng-5307.)

Taxeren geen wetenschap, wel van bijzondere aard; tegemoetkoming kosten afhankelijk van soort object
X bestrijdt de WOZ-waarde van zijn woning. X laat daartoe een taxatierapport opmaken en vraagt om vergoeding van de gemaak- te kosten. De taxateur bracht 8 uur à 80 euro in rekening. In hoger beroep stelt het hof de taxatiekosten op 8 uur x 50 euro. X gaat in cassatie.
De Hoge Raad overweegt dat een belanghebbende die in een WOZ-procedure een taxatierapport heeft laten opmaken, in het algemeen aan de eis heeft voldaan van redelijkerwijs gemaakte kosten. Van het tegendeel moet uit de rechterlijke uitspraak of de gedingstukken blijken.
Voor de tegemoetkoming geldt dat het opstellen van een taxatie- verslag door een taxateur geen werkzaamheden van wetenschap- pelijke aard zijn. Het zijn wel werkzaamheden van bijzondere aard. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaar- digd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt pas in aanmerking als het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Er wordt geen rekening gehouden met de mate van deskundigheid van de taxateur.
De taxatiekosten die voor een vergoeding in aanmerking komen, behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar het toepasselijke tarief (op grond van de bepalingen van de Wet op  de omzetbelasting 1968). Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat alleen als de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt en dus niet als hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (zie HR 15-04- 2011, 10/04313, LJN BQ1222, VNG-4413).
X betoogt dat het hof ten onrechte zelf een tarief heeft vastge- steld voor de vergoeding van de kosten van het taxatieverslag, daar waar de wetgever duidelijk voor ogen had dat het de markt- werking moet zijn die de hoogte van het tarief bepaalt. Gelet op het voorgaande moet dit betoog worden verworpen. Niet de hoogte van het in rekening gebrachte of in de markt gangbare uurtarief is maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden, die wordt bepaald door de aard van het te taxeren object.
Gelet op de aard van de onderhavige woning kon het hof beslissen dat de werkzaamheden voor de taxatie van het onderhavige  object niet in die mate van bijzondere aard zijn dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een ander uurtarief dan 50 euro inclusief btw. Deze beslissing kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. (Hoge Raad 13-07-2012, 11/02035 (Lochem) vindplaats(en) - LJN: BX0904 vng-5312)

Noot VNG: Samen met het arrest Hoge Raad 13-07-2012, 11/04133, LJN: BX0919, VNG-5313, vormt dit arrest een keerpunt in de discussie over de proceskostenvergoeding voor taxatierapporten. De lijn van de Hoge Raad is duidelijk: het opstellen van een rapport is in het alge- meen redelijk en belanghebbende komt bij een waardeverlaging in aanmerking voor een tegemoetkoming. Die tegemoetkoming wordt niet bepaald door het uurtarief op de rekening of door het gangbare uurtarief in de markt. Het uurtarief wordt wel bepaald door de aard van de werkzaamheden en die wordt bepaald door de aard van het te taxeren object. Daarbij is het maximumtarief in de regeling alleen bestemd voor zeer complexe onroerende zaken.
Uit de arresten volgt dat een uurtarief van 50 euro bij woningen en 65 euro bij kantoren, op voorhand niet onredelijk is. Vervolgens zal nog het aantal redelijke uren moeten worden bepaald. De Hoge Raad roept de feitenrechters op daar een gezamenlijk beleid in te voeren.

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.