Belastingen en gemeenten

Schadevergoeding wegens overschrijden redelijke termijn

De procedure betreft een in 2001 opgelegde aanslag bouwleges, waartegen X op 31 juli 2001 bezwaar heeft gemaakt. Na bezwaar, beroep, terugwijzing, beroep, hoger beroep en cassatieberoep, heeft de Hoge Raad op 6 juni 2011 geoordeeld dat de redelijke termijn van behandeling is overschreden. De zaak wordt verwezen naar Hof Arnhem. De Hoge Raad bepaalde dat voor de procedure in eerste aanleg 2 jaar geldt (bezwaarfase halfjaar, beroepsfase anderhalf jaar) en voor hoger beroep 2 jaar. Daarbij geldt dat de redelijke termijn wordt verlengd met (de vertraging in) het tijdsverloop door de proceshouding van de belanghebbende. Per halfjaar overschrijding heeft een belanghebbende recht op 500 euro. Het materiële geschil heeft de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 Wet RO afgedaan (HR 10-06-2011, 09/02639, LJN: BO5046, vng-4520).

In de procedure na verwijzing is nog slechts in geschil in hoeverre de redelijke termijn is overschreden, tot welk bedrag een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend en ten laste van welke instantie(s) die vergoeding dient te komen. X vindt dat hij in de verwijzingsprocedure ook de juistheid van de aanslag leges nog ter discussie kan stellen. Hij claimt een vergoeding van 4.000 euro. De gemeente stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan haar is te wijten is en dat zij daarom niet schadevergoedingplichtig is. De Raad voor de Rechtspraak stelt namens de minister van Veiligheid en Justitie dat de overschrijding van 2 jaar en 7 maanden is te wijten aan de rechterlijke macht, wat zou moeten leiden tot een schadevergoeding van 3.000 euro ten laste van de Staat.

Het hof oordeelt dat de verwijzingsprocedure zich beperkt tot de door de Hoge Raad gegeven opdracht en dat het materiële geschil definitief is beslecht. Het hof stelt vast dat de behandeling van het bezwaar en het beroep in eerste aanleg in totaal 5 jaar en 1 week heeft geduurd, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn meebrengt van 3 jaar en 1 week. Hof ‘s-Hertogenbosch heeft de redelijke termijn met 8 maanden overschreden, zodat de redelijke termijn voor de beslechting van het onderhavige geschil in totaal met 3 jaar en (ruim) 8 maanden is overschreden. Niet gesteld is dat de overschrijding gedeeltelijk aan X is toe te rekenen. Het hof stelt het bedrag van de schadevergoeding vast op 8 maal 500 euro ofwel 4.000 euro. Omdat voor gemeentelijke belastingen een afwijkende beslistermijn op bezwaar geldt (toen nog 1 jaar), wijkt het hof af van de algemene regel dat de bezwaarfase in een halfjaar moet zijn afgerond. De gemeente heeft bij het doen van de (twee) uitspraken de termijn van een jaar niet overschreden, zodat haar geen verwijt treft en zij niet kan worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. In de gevallen waarin voor het doen van uitspraak op bezwaar wettelijk een langere termijn dan een halfjaar is toegestaan moet de termijn van anderhalf jaar waarbinnen de procedure voor de rechtbank moet zijn afgerond, worden bekort met (maximaal) de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar minus een halfjaar. In dit geval komt de overschrijding van de redelijke termijn voor de eerste aanlegfase daarom geheel voor rekening van de rechter. Gevoegd bij de termijnoverschrijding bij Hof ‘s-Hertogenbosch veroordeelt het hof de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de totale door X geleden immateriële schade van 4.000 euro.
(Hof Arnhem 11-09-2012, 11/00490 (Tilburg), LJN: BX7765, VNG-5419)

Verordening reclamebelasting onverbindend door vrijstellingsbepaling in belastingplicht

X is het niet eens met de aanslag reclamebelasting die de gemeente aan hem heeft opgelegd. In geschil is of de verordening verbindend is. In de verordening is in het artikel over de belastingplicht een vrijstelling opgenomen voor openbare aankondigingen waarvoor op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst betaling moet geschieden, of een vergoeding verschuldigd is aan de gemeente, dan wel aan de organisatie aan wie de gemeente zich middels een convenant verplicht heeft tot het uitbetalen van opbrengsten van de reclamebelasting.

Het hof oordeelt dat de in de verordening opgenomen omschrijving van de belastingplicht niet strookt met artikel 217 Gemeentewet. Door de formulering van de uitzondering op de belastingplicht is niet overzienbaar, laat staan voor andere belastingplichtigen controleerbaar, of de daarin bedoelde privaatrechtelijke overeenkomst bestaat en of op grond daarvan betaling moet geschieden. Evenmin is duidelijk of de gemeente zich door middel van een convenant aan een organisatie heeft verplicht tot het uitbetalen van opbrengsten van de reclamebelasting. Aan de regeling van de uitzondering ontbreekt elke waarborg als die besloten liggen in de Experimentenwet BI-zones. Verder zou de omstandigheid dat de belastingplicht mede afhangt van het bestaan van een - betalingsverplichting scheppend - convenant neerkomen op delegatie van de verordenende bevoegdheid die volgens artikel 217 Gemeentewet is opgedragen aan de raad. Voor zo’n delegatie is volgens artikel 127 Grondwet een wettelijke grondslag nodig, die ontbreekt. Bij gebrek aan een voldoende scherpe afbakening van de belastingplicht is de gehele verordening onverbindend. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond. (Hof Arnhem 11-09-2012, 11/00679 (Ede), LJN: BX7756, VNG-5420)

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.