Belastingen en gemeenten

Wat speelt er momenteel op het gebied van belastingen? Medewerkers van het expertisecentrum gemeentefinanciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten lichten enkele belangrijke onderwerpen toe.

Geen leges voor behandeling Wob-verzoek, wel voor kopieën en bewerken informatie
De Hoge Raad beslist dat een gemeente geen leges mag heffen voor het behandelen van een verzoek om informatie op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De gemeente mag wel leges heffen voor het maken van kopieën en het bewerken van de informatie.
Belanghebbende, een nieuwszender, heeft onder verwijzing naar de Wob de gemeente verzocht om informatie over andere dan reguliere loonbetalingen van de gemeente aan haar burgemeester en wethouders. De gemeente brengt X voor de gemaakte kosten 297,40 euro aan leges in rekening: 276,80 euro voor het verlenen van ‘diensten (algemeen)’ en 20,60 euro kopieerkosten. De ‘diensten (algemeen)’ betreffen het opzoeken van declaraties, het anonimiseren van documenten en het vervaardigen van overzichten. In geschil zijn de leges van 276,80 euro voor deze ‘diensten (algemeen)’. Belanghebbende vindt dat geen sprake is van een dienst in de zin van artikel 229, lid 1, onder b, van de Gemeentewet. De gemeente vindt van wel omdat aan de werkzaamheden een persoonlijke wens van de aanvrager ten grondslag ligt. Rechtbank en gerechtshof geven belanghebbende gelijk. Op het beroep in cassatie van de gemeente oordeelt de Hoge Raad dat bij een Wob-verzoek het algemeen belang van openbaarmaking centraal staat en niet het individuele belang van de aanvrager. Artikel 14 van de Wob, dat het gemeentebestuur de mogelijkheid biedt om nadere regels te stellen ter uitvoering van de wet, geeft de gemeente geen autonome beslissingsbevoegdheid bij het in rekening brengen van leges voor een Wob-verzoek. Voor zover dit artikel ziet op het in rekening brengen van kosten heeft het (evenals artikel 12 van de Wob) betrekking op kostenberekening langs andere weg dan via heffing van leges. De werkzaamheden zijn niet aan te merken als diensten in de zin van artikel 229, lid 1, onder b, van de Gemeentewet, zodat heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk is. De Hoge Raad merkt nog op dat een bestuursorgaan dat uitvoering geeft aan een ingewilligd Wob-verzoek door het vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan, aan de verzoeker de kosten daarvan in rekening mag brengen. Dat is een dienst waarvoor legesheffing mogelijk is. Het cassatieberoep van de gemeente is ongegrond. (Hoge Raad 8 februari 2013, LJN: BZ0693, VNG-5589)

Noot: Eindelijk schept de Hoge Raad duidelijkheid: geen legesheffing voor het behandelen van Wob-verzoeken, wel voor kopieën, uittreksels of samenvattingen van de informatie, dus voor bewerkingen. In die lijn is het ‘vervaardigen van overzichten’ door de gemeente in dit geval ook aan te merken als dienstverlening, maar strandt de legesheffing daarvoor waarschijnlijk omdat sprake was
 
van één totaalbedrag van 276,80 euro (8 uren à 8,65 euro per kwartier) aan leges voor het verlenen van diensten. Het oordeel van de Hoge Raad over artikel 14 van de Wob roept de vraag op of de gemeente wel langs andere weg dan via de leges, bijvoorbeeld via een tariefbesluit op grond van dat artikel 14, kosten in rekening mag brengen voor opzoekwerkzaamheden bij een Wob-verzoek. Gelet op het oordeel van de Hoge Raad dat bij een Wob-verzoek het algemeen belang van openbaarmaking centraal staat, moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Een privaatrechtelijke vergoeding zou de publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruisen (de zgn. tweewegenleer, Hoge Raad 26 januari 1990 (Windmill), LJN: AC0965). Als de gemeente de kosten van opzoekwerkzaamheden niet kan doorberekenen aan de veroorzaker ervan (de Wob-verzoeker), moet zij deze kosten uit de algemene middelen dekken. Dat kan leiden tot een opwaartse druk op de tarieven van bijvoorbeeld de onroerendezaakbelastingen.

Zie over de vergoedingen voor informatie op grond van de Wob ook:
1. Artikel 7, tweede lid, Verdrag van Tromsø van 18 juni 2009 (niet door Nederland ondertekend): Alleen kosten in rekening brengen voor een afschrift van officiële documenten, mits deze redelijk zijn en de werkelijke kosten van de reproductie en levering niet overschrijden.
1.  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 22 augustus 2012, LJN: BX5240: Korpsbeheerder mag kopieerkosten in rekening brengen op grond van de Regeling tarieven openbaarheid van bestuur politie Flevoland, die op artikel 14 van de Wob is gebaseerd.
3. Brief Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 31 mei 2011, Kamerstukken II 2010/2011, 32802, nr. 1: Het berekenen van kosten anders dan kopieerkosten staat op gespannen voet met openbaarheid. De minister wil in de wet vastleggen dat alleen kosten voor reproductie en levering (marginale verstrekkingskosten) in rekening kunnen worden gebracht.
4. Internetconsultatie Wet aanpassing Wob (2 juli 2012): In rekening brengen van ten hoogste de kosten van de verstrekte informatiedragers is mogelijk. Voor de terinzagelegging of verstrekking langs elektronische weg worden geen kosten in rekening gebracht (nieuw artikel 12 Wob).
2.  Initiatiefwetsvoorstel Nieuwe Wet openbaarheid van bestuur (5 juli 2012), Kamerstukken II 2011/2012, 33328: De openbaar-
making van informatie is kosteloos. Een redelijke vergoeding
– ten hoogste de kostprijs – voor het vervaardigen van kopieën is mogelijk (artikel 8:5 van het wetsvoorstel).

Verordening hondenbelasting onverbindend
Hof ’s-Hertogenbosch vindt een verordening hondenbelasting onverbindend omdat deze alleen gericht is op het verkrijgen van algemene middelen en er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het onderscheid tussen hondenbezitters en
niet-hondenbezitters.
Belanghebbende heeft een hond en wordt aangeslagen voor de hondenbelasting. Zij stelt dat de gemeente hondenbelasting alleen heft ter verwerving van algemene middelen en niet als bestemmingsheffing. Daardoor moeten hondenbezitters meer bijdragen aan de algemene middelen dan niet-hondenbezitters. Volgens  haar schendt de gemeente daarmee het gelijkheidsbeginsel.
Het hof overweegt op basis van passages in de wetsgeschiedenis, rechtspraak en vakliteratuur dat de hondenbelasting een heffing met een zuiver fiscaal doel is. Het staat de gemeente daarbij vrij de hondenbelasting als een bestemmingsheffing of als een heffing ten gunste van de algemene middelen te heffen (HR 21-06-2000, nr. 33816, LJN: AA6253 (Hellendoorn)). In het laatste geval is het heffen van hondenbelasting volgens het hof alleen toegestaan als de kosten van hondenbezit voor de gemeente van wezenlijke betekenis zijn geweest voor invoering van de hondenbelasting en de hoogte van de belasting mede is afgestemd op die kosten, zonder dat de gehele opbrengst van de hondenbelasting behoeft te strekken tot delging van die kosten. Omdat hiervan in dit geval volgens verklaring van de heffingsambtenaar geen sprake is, is de heffing in strijd met het in artikel 1 van de Grondwet verankerde gelijkheidsbeginsel. De verordening is onverbindend. Het hoger beroep is gegrond. Het hof vernietigt de aanslag.
(Hof ‘s-Hertogenbosch 24-01-2013, LJN: BY9350, VNG-5561)

Noot: Deze uitspraak is in het land ingeslagen als een bom. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de gemeente in cassatie is gegaan. De Hoge Raad mag zich nu uitlaten over de vraag of een belasting naast het algemene doel van inkomstenverwerving ook een ander doel in zich moet hebben. Daarbij zal de Hoge Raad ook stil moeten staan bij de vraag of een door de wetgever gemaakte keuze waarbij vooraf bekend is dat niet iedereen belastingplichtig is, mag worden getoetst door de rechter. Gelet op de onrust, is het te hopen
dat de Hoge Raad de zaak met voorrang behandelt. Zie ook de berichtgeving hierover op www.vng.nl, bij beleidsveld belastingen.

Eigenaar recreatiepark terecht aangeslagen voor rioolheffi g voor 58 percelen
Hof Arnhem-Leeuwarden beslist dat de gemeente de eigenaar van een recreatiepark terecht voor 58 percelen voor de rioolheffing heeft aangeslagen.
Belanghebbende is eigenaar van een bungalowpark dat bestaat uit 56 afzonderlijke bungalows, een dienstwoning en centrale voorziening (hierna: het park). De bungalows worden telkens voor een korte periode verhuurd. Permanente bewoning van de bungalows is niet toegestaan. Elke bungalow is afsluitbaar en beschikt over alle voor bewoning elementaire voorzieningen
(woon-, slaap-, badkamer, toilet en volwaardige kookgelegenheid), maar heeft geen afzonderlijke energie- en watermeter. De bungalows zijn aangesloten op het eigen rioleringsstelsel van het park dat op zijn beurt weer is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. In hoger beroep is in geschil of de gemeente
 
terecht 58 aanslagen in de rioolheffing heeft opgelegd (58 x 232 euro = 13.456 euro).
Het hof oordeelt dat de dienstwoning en de centrale voorziening naar hun aard zelfstandige gedeelten van een onroerende zaak en dus percelen in de zin van de verordening zijn. Door de voorzieningen in de bungalows en de afsluitbaarheid zijn ook de bungalows afzonderlijke percelen voor de rioolheffing. Dat de bungalows  geen eigen energie- en watermeter hebben, doet hieraan niet af. Vanuit alle percelen wordt indirect, door middel van het rioleringsstelsel van het park, water afgevoerd op de gemeentelijke riolering. De gemeente heeft daarom terecht 58 aanslagen in de rioolheffing opgelegd voor de percelen waaruit het park bestaat.
Dat belanghebbende slechts 7.800 euro rioolheffing had hoeven te betalen als het park als één perceel zou zijn aangemerkt of dat de bungalows slechts een gedeelte van het jaar bezet zijn, maakt de rioolheffing niet onredelijk of willekeurig. Het hoger beroep is ongegrond. (Hof Arnhem-Leeuwarden 29 januari 2013, LJN: BZ1026, VNG-5583)

BIZ-bijdrage ten onrechte gebruikt voor verhaal van algemene en promotiekosten
Belanghebbende heeft een slagerij in een winkelgebied waarvoor de gemeente een verordening bedrijveninvesteringszone (BI-zone of BIZ) heeft vastgesteld. Op grond daarvan heeft belanghebbende een aanslag voor een BIZ-bijdrage 2011 ontvangen. Hij bestrijdt deze aanslag. In geschil is of de verordening geheel of gedeeltelijk onverbindend is.
Uit de uitvoeringsovereenkomst en het bijbehorende activiteitenplan leidt de rechtbank af dat de gemeente de BIZ-heffing gebruikt ter dekking van algemene kosten (waaronder kosten centrummanager en vergaderkosten) en promotiekosten (voor verschillende evenementen). Daarmee zijn de activiteiten in overheersende  mate direct en indirect gericht op de commerciële belangen van in de BI-zone gevestigde winkeliers. Dat is in strijd met de bedoeling van de BIZ-heffing, die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten voor het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang. Alleen de posten ‘Beveiliging’ en ‘Bewegwijzering’ zouden via een BIZ-heffing verhaalbaar zijn, maar het totaalbedrag daarvan valt in het niet bij de totale kosten van niet-verhaalbare activiteiten. Er is sprake van een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij de toekenning van de bevoegdheid om de BIZ-bijdrage te heffen niet op het oog kan hebben gehad. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de aanslag.  (Rechtbank ‘s-Gravenhage 18 september 2012, LJN: BY0302, VNG-5591)

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.