Belastingen en gemeenten

Wat speelt er momenteel op het gebied van belastingen? Medewerkers van het expertisecentrum gemeentefinanciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten lichten enkele belangrijke onderwerpen toe.

Proceskostenvergoeding bij “no cure no pay”
Bezwaren tegen vier WOZ-beschikkingen op één biljet zijn voor proceskostenvergoeding één bezwaar. De Hoge Raad heeft het volgende beslist:
- “No cure no pay” staat niet een vergoeding voor taxatiekosten in de weg.
- Een eenmaal toegepaste wegingsfactor geldt niet automatisch voor elke volgende fase van de procedure. (In de bezwaarfase gold de zaak als gemiddeld (wegingsfactor 1), in de beroepsfase als licht (wegingsfactor 0,5).)
- De regeling voor samenhangende zaken is niet van toepassing, het zijn afzonderlijke zaken.
- Voor het bepalen van de proceskostenvergoeding is sprake van één bezwaar als dit is gericht tegen meerdere in één geschrift vermelde WOZ-beschikkingen (zie ook Hoge Raad 13 juli 2012,  LJN BX0892. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof. Het cassatieberoep is gegrond. (Hoge Raad 12 april 2013, LJN: BZ6822)

Dure taart
Rechtbank Breda beslist dat het laten staan van een auto om een taart op te halen, geldt als parkeren en niet als laden en lossen. Er is dus parkeerbelasting verschuldigd.
Belanghebbende plaatst zijn auto op een parkeerplaats voor betaald parkeren om in een nabij gelegen winkel een taart op te halen. Na terugkomst treft hij een naheffingsaanslag parkeerbelastingen aan van 55,80 euro. Hij vindt dat geen sprake is van parkeren, maar van onmiddellijk laden en lossen. De rechtbank oordeelt dat het gewicht of omvang van de taart niet zodanig is  dat deze bezwaarlijk anders dan per auto kan worden vervoerd (zie Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33286, Belastingblad 1999, blz. 566).
Er is daarom geen sprake van laden en lossen, maar van parkeren. Het maakt niet uit dat het halen van de taart slechts één minuut heeft geduurd. De gemeente heeft de naheffingsaanslag parkeerbelastingen terecht opgelegd. Het beroep is ongegrond. (Rechtbank Breda 20 december 2012, LJN: BZ3555)

Hoorzitting en inpandige opname gelijktijdig
Rechtbank Zwolle beslist dat de gemeente mag bepalen dat de hoorzitting gelijktijdig met de inpandige opname plaatsvindt. Belanghebbende ontvangt een WOZ-beschikking 2012 voor zijn onroerende zaak. Deze wil worden gehoord. De gemeente houdt de hoorzitting bij belanghebbende thuis, tegelijkertijd met de inpandige opname. Dit in weerwil van de gemachtigde, die hierbij niet aanwezig is. De gemeente verklaart het bezwaar ongegrond.
 
Belanghebbende gaat in beroep. De gemachtigde stelt dat de gemeente de waarde te hoog heeft vastgesteld en dat zij de hoorplicht geschonden heeft. De rechtbank vindt van niet. De gemeente is vrij om - binnen de grenzen van redelijkheid en mogelijkheid - het tijdstip en de locatie van de hoorzitting te bepalen. De rechtbank vindt het niet onredelijk dat de gemeente de hoorzitting op locatie van de onroerende zaak heeft gehouden. Zij heeft dit voldoende gemotiveerd. De praktische bezwaren van de gemachtigde maken dit niet anders. Bovendien is de gemeente daaraan tegemoetgekomen met een conceptuitspraak op bezwaar, zodat de gemachtigde kon beoordelen en aangeven of een hoorzitting nodig was. Ook heeft de gemeente de gemachtigde de mogelijkheid van zeggenschap gegeven bij de planning en daarbij zijn zaken geclusterd. Het niet verschijnen van de gemachtigde op de hoorzitting komt voor rekening en risico van belanghebbende.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. (Rechtbank Zwolle 25 februari 2013, LJN: BZ3554, VNG-5612)

Navordering terecht na kenbare fout in aanslag rioolheffing
Hof ’s-Gravenhage beslist dat de gemeente de te weinig geheven rioolheffing kon navorderen, omdat de fout in de aanslag kenbaar was. Belanghebbende ontvangt een (primitieve) aanslag rioolheffing van 155 euro. Als gevolg van een fout is de aanslag 13 euro te laag vastgesteld. In de bijsluiter bij de aanslag stond het juiste tarief vermeld. De gemeente legt een navorderingsaanslag op van 13 euro. Belanghebbende stelt dat de gemeente het bedrag niet kan navorderen. In hoger beroep oordeelt het hof dat navordering mede kan plaatsvinden als door een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld en dit de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Hiervan is sprake als de te weinig geheven belasting  ten minste 30 procent van de verschuldigde belasting bedraagt (art. 16, lid 2, aanhef en onder c, AWR), ongeacht of sprake is van een in absolute zin gering bedrag. De gemeente heeft voldaan aan de op haar berustende bewijslast dat voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat de primitieve aanslag door een fout te laag was vastgesteld. Belanghebbende had bij kennisneming van zijn aanslag en de daarbij gevoegde bijsluiter redelijkerwijs kunnen zien dat een fout is gemaakt, nu het bedrag van de aanslag niet overeenstemde met het bedrag dat in de bijsluiter was vermeld.
Belanghebbende had vervolgens kunnen vaststellen welk tarief het juiste was door de in de bijsluiter vermelde website te raadplegen. De navorderingsaanslag is terecht opgelegd. Het hoger beroep  van belanghebbende is ongegrond. (Hof ‘s-Gravenhage 9 oktober 2012, LJN: BY6297, VNG-5512)

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.