Uitgelicht

Wat speelt er momenteel op het gebied van gemeentefinanciën? Medewerkers van het expertisecentrum gemeentefinanciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten lichten enkele belangrijke onderwerpen toe.

Overgangsmaatregelen jeugdzorg noodzakelijk?

Bij de decentralisatie jeugdzorg spreken Rijk, provincies, gemeenten maar ook zorgaanbieders en branche-organisaties al enige tijd over overgangsmaatregelen. Doel is de overheveling van verantwoordelijkheden “zacht te laten landen” om ongewenste abrupte wijzigingen in het jeugdzorgstelsel te voorkomen. De focus ligt vooral op continuïteit van zorg voor cliënten.

Zonder twijfel wordt in de nieuwe Jeugdwet opgenomen dat cliënten die op
31 december 2014 in zorg zijn of een indicatiebesluit hebben, recht hebben op voortzetting van de ingezette hulp bij dezelfde aanbieder of op het in het indicatiebesluit aangegeven traject. Dat
overgangsrecht geldt voor één jaar, dus in 2015. Voor cliënten met pleegzorg geldt de overgangstermijn tot hun achttiende jaar.

Meerdere partijen verlangen ook overgangsmaatregelen gericht op zorgaanbieders. Argumenten daarvoor zijn het voorkomen van kapitaalsvernietiging en medewerkers zekerheid bieden. Als aanbieders geen of twijfelachtige vooruitzichten hebben op voortzetting van hun taken vanaf 2015, zullen zij de afbouw van hun activiteiten inzetten. Daarmee kunnen de “vitale delen van de huidige zorginfrastructuur” in het geding komen, delen die gemeenten vanaf 2015 hard nodig hebben. Een ander argument is de wens om maatschappelijke frictiekosten te beperken. Dat laatste zijn kort gezegd de tijdelijke kosten die verbonden zijn aan de overgang van het ene naar het andere jeugdzorgstelsel.

 

Maar overgangsmaatregelen die gericht zijn op de zorgaanbieders worden vooral geopperd om te garanderen dat de zorgcontinuïteit voor cliënten niet in het geding komt. Immers, het overgangsrecht voor cliënten biedt geen garantie dat de zorg ook feitelijk geleverd kan worden.
Gemiddeld genomen leidt het overgangsrecht voor cliënten in 2015 namelijk tot circa 40 procent aan budgetbehoud bij de huidige aanbieders. Dat betekent dat er aanbieders zijn met meer budgetbehoud maar ook aanbieders die minder budgetbehoud kennen. Onder invloed van inkoopkeuzes van gemeenten bestaat de kans dat sommige aanbieders met alleen het overgangsrecht voor cliënten onvoldoende budget hebben om de bedrijfsvoering in stand te houden. Daarmee kunnen deze aanbieders dan niet instaan voor de zorgcontinuïteit van “hun” cliënten.

Deze discussie over overgangsmaatregelen speelt tegelijkertijd met de ontwikkeling van een nieuw en beter stelsel. Dat staat deels op gespannen voet met elkaar. De gewenste transformatie binnen de jeugdzorg kan niet op gang komen met alleen  de oude zorgstructuren. Ook speelt er een bezuinigingsopgave binnen deze decentralisatie: in 2015 moet er 120 miljoen euro worden ingeteerd, oplopend naar 450 miljoen euro vanaf 2017.

Hoe is er met deze ingewikkelde puzzel omgegaan bij eerdere (voorgenomen) taakoverhevelingen?

1. Overheveling jeugdzorg van Rijk naar provincies
De jeugdzorg is in 1992 op historische basis gedecentraliseerd van het Rijk naar de provincies, waarbij de historische verdeling van de middelen een-op-een is gehandhaafd. Ook de subsidieverplichtingen van het Rijk zijn een-op-een overgeheveld naar de provincies. Hierdoor zijn er geen frictiekosten als gevolg van de decentralisatie ontstaan. Deze operatie ging niet gepaard met budgetkorting, er was geen efficiencydoelstelling op korte termijn. Wel was de doelstelling om te komen tot zorginhoudelijke verbeteringen. Langs de weg van de geleidelijkheid zijn veranderingen  doorgevoerd.
 
2. Overheveling huishoudelijke hulp naar de Wmo
Bij de overheveling van de huishoudelijke hulp naar de Wmo in 2007 is overgangsrecht ingevoerd. Daardoor kregen burgers in 2007 recht op hetzelfde aantal uren hulp als zij in 2006 genoten of waarvoor zij een indicatie hadden. Echter, dat overgangsrecht betekende niet dat burgers recht hadden op die hulp bij dezelfde aanbieder. De gemeente kon zelf aanbieders selecteren en contracteren. Hierdoor vonden er verschuivingen in het zorgvolume tussen aanbieders plaats, in sommige gevallen waren die verschuivingen zeer fors.

3. Overheveling begeleiding naar de Wmo
Onder kabinet Rutte I was het voornemen om de AWBZ-functie begeleiding per 2013/2014 over te hevelen naar de Wmo. Bij deze operatie zou een efficiencykorting van 5 procent worden toegepast. Deze overheveling vindt solistisch niet meer plaats, maar is nu onderdeel van de grotere decentralisatie van AWBZ-functies naar
de Wmo van gemeenten. Binnen de voorgenomen overheveling van begeleiding is niet gesproken over frictiekosten en zekerheden voor aanbieders. Wel was er sprake van een overgangsregime voor cliënten doordat in het eerste jaar (2013) alleen de nieuwe cliënten werden overgeheveld, in 2014 ook de bestaande cliënten. Daarnaast was het plan om voor de verdeling van middelen van Rijk naar gemeenten twee jaar het historisch verdeelmodel te gebruiken. Hierdoor zouden gemeenten (grotendeels) in staat zijn gesteld dezelfde zorg in te blijven kopen als de zorgkantoren onder de AWBZ. Al zegt dat niks over de mate waarin gemeenten bij de bestaande aanbieders zorg zouden afnemen, verschuivingen konden plaatsvinden.

4. Extramuraliseren AWBZ
De kabinetten Rutte I en II zetten in op het extramuraliseren van de AWBZ. Dat wil zeggen dat meer van de huidige AWBZ-zorg in toenemende mate thuis geleverd wordt. Dat heeft tot gevolg dat vooral instellingen voor intramurale zorg met een omzetdaling te maken krijgen. Zij moeten inkrimpen. Dat veroorzaakt frictiekosten. Dit proces speelt zich geleidelijk af. Er is sprake van een meerjarig traject waarin een ombouw van residentiële zorg naar ambulante zorg in de directe leefomgeving van de cliënt plaatsvindt. Die geleidelijkheid biedt aanbieders de mogelijkheid om frictiekosten (grotendeels) te voorkomen of op te vangen.
Uit bovenstaand rijtje is te zien dat er per traject wisselend wordt ingezet op zekerheden voor cliënten en aanbieders. En laatstelijk zien we binnen de kinderopvang en het gevangeniswezen weer heel andersoortige beleidsmaatregelen van de Rijksoverheid die gevolgen hebben voor (zorg) volumes van deze aanbieders. Niet alle operaties worden op dezelfde manier behandeld. Enerzijds omdat de taak waar het om draait anders is. Jeugdzorg is een veel complexere taak dan huishoudelijke hulp, met een belangrijkere relatie tussen zorgverlener en cliënt. Anderzijds omdat de (financiële) omstandigheden gewijzigd zijn; het Rijk legt vanaf de eerste dag van overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten een efficiencytaakstelling op. Wat voor deze decentralisatieoperatie doorslaggevend is, zullen we op korte termijn weten.

Eerste uniforme monitor lokale lasten een feit

Het COELO heeft begin april de eerste uniforme monitor lokale lasten uitgebracht: de Atlas van de Lokale Lasten. Dit is een voortvloeisel uit de bestuursafspraken
2011-2015, tussen de koepels van de decentrale overheden en het kabinet Rutte I:

Het Rijk en de medeoverheden streven naar zo veel mogelijk transparantie over de ontwikkeling van de lokale lasten. Daarom hanteren Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen gezamenlijk een uniforme monitor van een gezaghebbende instantie  die als leidend wordt bestempeld. Partijen formuleren gezamenlijk de opdracht daartoe. De overheden onderschrijven naar buiten toe de uitkomsten van de monitor.

Om de gegevens voor de Atlas te achterhalen, heeft het COELO bij alle afzonderlijke gemeenten de tarieven en grondslagen van de lokale heffingen voor het jaar 2013 opgevraagd. Deze gegevens zijn op meerdere manieren geanalyseerd, geordend en verwerkt. De Atlas geeft:
• een macro-overzicht van de hoogte en de ontwikkeling van de tarieven van afzonderlijke decentrale heffingen, van de woonlasten voor huishoudens, van de totale decentrale lasten voor standaardhuishoudens en -bedrijven en van de opbrengsten van decentrale heffingen;
• een micro-overzicht van de tarieven en woonlasten op het niveau van afzonderlijke gemeenten, provincies en waterschappen.

De cijfers zijn gebaseerd op tarieven en grondslagen uit definitief vastgestelde begrotingen van decentrale overheden. Dat is noodzakelijk om de zeggingskracht van de cijfers te vergroten en om op die manier de feiten uit de Atlas als leidend te kunnen bestempelen. Leidend voor gesprekken met de belastingbetaler
en leidend voor gesprekken met de Rijksoverheid.

Gesprek met de belastingbetaler
De gemeenteraad stelt de tarieven vast voor de lokale lasten. Aan een eventuele verhoging gaan uitvoerige discussies vooraf. Met een afweging tussen het gewenste voorzieningenniveau, de daarvoor benodigde middelen en de wijze waarop de lasten worden verspreid tussen burgers en bedrijven. De feiten uit de Atlas zetten de lokale lasten van alle Nederlandse gemeenten in perspectief. Gemeenten kunnen mede aan de hand hiervan het gesprek met de belastingbetaler aangaan. Daarnaast kunnen de feiten binnen de gemeenteraad input zijn voor debatten over de tarieven bij het vaststellen van de begroting voor 2014.
De contouren daarvan worden rond deze tijd (het voorjaar) bij het opstellen van de kadernota vastgelegd.

Gesprek met de Rijksoverheid
De Rijksoverheid houdt de vinger aan  de pols als het gaat over koopkracht van
en lastendruk voor burgers. De rijksbelastingen en -heffingen zijn in omvang vele malen groter dan de lokale lasten. Van elke euro die huishoudens en bedrijven in Nederland aan belastingen en sociale premies betaalt, gaat ruim 3 procent naar gemeenten. Provincies en waterschappen nemen samen 2 procent voor hun rekening, de Rijksoverheid 95 procent. Toch kijkt het Rijk mee bij de ontwikkeling van de lokale lasten op macroniveau. Met name als het gaat over de onroerendezaakbelastingen van gemeenten. Op landelijk niveau heeft het Rijk namelijk een plafond vastgesteld voor de maximale stijging van de OZB-opbrengsten; de zogenaamde macronorm. Ook het gesprek over de macronorm wordt gevoerd aan de hand van de feiten uit de Atlas.

Dat overheden de Atlas als leidend beschouwen, voorkomt niet dat er door het jaar heen andersoortige onderzoeken naar lokale lasten zullen verschijnen.
Onderzoeken met
• een andere insteek, bijvoorbeeld door voor parkeertarieven ook de tarieven van private partijen te onderzoeken;
• andere deinities, bijvoorbeeld door voor de waarde van onroerende zaken wel uit te gaan van de waardeontwikkeling inclusief areaaluitbreiding;
• andere peilmomenten, bijvoorbeeld met gebruik van voorlopige in plaats van definitieve begrotingen.

Overheden laten zich leiden door het materiaal van één betrouwbare en consequente instantie: de Atlas van het COELO als uniforme monitor lokale lasten. Of ook andere partijen zich hierop concentreren, zullen we de komende jaren ondervinden.

Trefwoorden: Tags: Zorg

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.