Belastingen en gemeenten

Wat speelt er momenteel op het gebied van gemeentebelastingen? Medewerkers van het expertisecentrum gemeentefinanciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten lichten enkele belangrijke onderwerpen toe.

Advocaat-generaal: hondenbelasting niet in strijd met gelijkheidsbeginsel
In een zaak over de hondenbelasting van de gemeente Sittard- Geleen vindt de advocaat-generaal (A-G) dat de hondenbelasting niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De A-G adviseert de Hoge Raad om de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch die hierover anders oordeelde, te vernietigen. De VNG kan zich goed vinden in het advies van de A-G.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde in januari dat de honden- belasting in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als de gemeente niet kan aantonen dat het geld wordt besteed aan hondenbeleid. De gemeente Sittard-Geleen tekende tegen dit oordeel beroep in cassatie aan bij de Hoge Raad. De A-G adviseert nu om de hondenbelasting in stand te houden. De A-G vindt dat houders van een hond en degenen die geen hond hebben geen gelijke gevallen zijn. Volgens hem moet de rechter toetsen aan het
evenredigheidsbeginsel. De A-G vindt dat bij een hondenbelasting van ruim 55 euro in ieder geval geen sprake is van onevenredige behandeling. Ook vindt de A-G het geen probleem dat de gemeente niet heeft aangetoond dat de opbrengst voor hondenbeleid is. De hondenbelasting is geen bestemmingsbelasting, de gemeente is vrij in de besteding van de opbrengsten. De A-G adviseert de  Hoge Raad. De Hoge Raad is niet verplicht deze adviezen over te nemen. Op welke termijn de Hoge Raad beslist, is niet bekend.
(A-G IJzerman 18 juli 2013, nr. 13/01116, ECLI:NL:PHR:2013:119)

Echtgenoot heeft recht op medebelanghebbendenbeschikking
X is in gemeenschap van goederen getrouwd met X-Y. X-Y ontvangt de WOZ-beschikking 2011 en tekent geen bezwaar aan. Om alsnog een bezwaarmogelijkheid te scheppen, vraagt X een medebelanghebbendenbeschikking (art. 28 Wet WOZ). De gemeente verstrekt deze. X tekent bezwaar aan en gaat na afwijzing in beroep. De rechtbank oordeelt dat X geen belangheb- bendenbeschikking had mogen krijgen, omdat art. 28 Wet WOZ niet bedoeld is om een extra bezwaarmogelijkheid te creëren.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en herroept de medebelanghebbendenbeschikking. De gemeente hoeft niet opnieuw op het bezwaar te beslissen, omdat het bezwaar tegen de herroepen en dus niet meer bestaande beschikking is gericht.
X gaat in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat X als mede-eigenaar een fiscaal belang heeft bij de WOZ-waarde. De gemeente moet daarom aan X een mede- belanghebbendebeschikking afgeven. De omstandigheid dat met betrekking tot de onroerende zaak al aan X’ echtgenoot een WOZ- beschikking is afgegeven en dat X daarmee bekend was, doet - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - daaraan niet af.
Uit de wetsgeschiedenis valt op te maken dat ook in de situatie van echtgenoten een medebelanghebbendebeschikking kan worden afgegeven. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de beschikking vernietigd. Het is niet van belang dat X’ echtgenoot geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beschikking.   De gemeente heeft de waarde wel juist vastgesteld. Het hoger beroep is gegrond. Het hof vernietigt de uitspraak van de recht- bank en verklaart het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond.
(Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-06-2013, 12/00208 (Ommen), ECLI:NL:GHARL:2013:4345, VNG-5747)

Wat is een redelijke beslistermijn?
Rechtbank Zeeland-West-Brabant beslist dat de redelijke termijn voor afdoening van WOZ- en OZB-bezwaren gelijk is aan de wettelijke beslistermijn (de periode tussen ontvangst bezwaar- schrift en einde jaar, met een minimum van zes weken). Voor andere belastingen geldt een half jaar.
In een WOZ-procedure is de redelijke termijn van afdoening over- schreden. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase 8 maanden en 29 dagen en de beroepsfase 20 maanden en 7 dagen heeft geduurd. Gelet op de termijn genoemd in artikel 30 van de Wet WOZ en de bedoeling daarvan van de wetgever, vindt de recht- bank een uitzondering op de ‘normale’ voor bestuursorganen geldende termijn redelijk. De bezwaarfase heeft naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval onredelijk lang geduurd, voor  zover de duur daarvan de wettelijke termijn overschrijdt. De beroepsfase heeft dan als regel onredelijk lang geduurd voor zover zij meer tijd in beslag neemt dan de tijd die van de tweejaarstermijn resteert na aftrek van de duur van de bezwaarfase. Omdat de gemeente binnen de door de wet gestelde termijn op het bezwaar- schrift heeft beslist, is de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De Staat moet daarom 1.000 euro vergoeden. In alle overige belastingprocedures, dus ook in procedures die niet de WOZ betreffen en op andere gemeentelijke belastingen dan de OZB betrekking hebben, blijft  de rechtbank erbij dat de bezwaarfase onredelijk lang is als deze een half jaar overschrijdt en de beroepsfase meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-05-2013, 11/870 (Tilburg), ECLI:NL:RBZWB:2013:4088, VNG-5776)

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.