Uitgelicht

Wat speelt er momenteel op het gebied van gemeentefinanciën? Medewerkers van het expertisecentrum gemeentefinanciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten lichten enkele belangrijke onderwerpen toe.

Voorlopig macrobudget decentralisatie AWBZ/Wmo bekend
De langdurige zorg gaat ingrijpend veranderen. De onderdelen van de huidige AWBZ die gericht zijn op ondersteuning en participatie worden gedecentraliseerd  naar gemeenten. Zij worden breed verantwoordelijk voor de ondersteuning van thuiswonende mensen die een beperking ondervinden bij hun participatie of onvoldoende zelfredzaam zijn. Deze nieuwe Wmo treedt per 1 januari 2015 in werking. Gemeenten krijgen de middelen om te kunnen zorgen voor goede voorzieningen die passen bij de individuele behoeften en mogelijkheden van burgers.

Volgens recente berekeningen van VWS gaat het in totaal om 6,2 miljard euro, behorend bij de over te hevelen taken. Dit is inclusief de huidige huishoudelijke hulp. Ambtelijk is de afgelopen tijd intensief overleg gevoerd over de berekening van  dit macrobudget. Hoewel er nog de nodige vragen uitstaan, lijkt de berekening plausibel. Het sluit tevens aan bij het bedrag van ruim 9 miljard euro in 2025 dat eerder werd gecommuniceerd. Dit is teruggerekend naar 2015 en is verminderd met het budget van 1,1 miljard euro voor jeugdzorg dat uit de AWBZ gaat.

Het Rijk zal dit budget van € 6,2 miljard in de septembercirculaire indicatief presenteren. Het bedrag kan immers nog veranderen door recentere cijfers, bijgestelde indexen en naar aanleiding van de toets van de Algemene Rekenkamer. Het bedrag uit de septembercirculaire – dat direct ook op historische basis verdeeld wordt over gemeenten – is dus een voorlopig bedrag dat desondanks houvast biedt aan gemeenten bij beleids- en organisatieontwikkeling.

Rijk en gemeenten hebben de Algemene Rekenkamer verzocht om te toetsen of het macrobudget dat in 2015 aan gemeenten beschikbaar wordt gesteld op de juiste manier is berekend. Hierbij wordt onder meer getoetst of alle relevante budgetten in de berekening zijn betrokken en hoe groot de vrijvallende middelen bij huidige uitvoerende instanties zijn. De Rekenkamer is gevraagd om deze onafhankelijke toets uiterlijk aanstaande november af te ronden. Hierdoor kan voorafgaand aan
de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel nog een bestuurlijk overleg plaatsvinden over de financiële aspecten van de Wmo.

Vrees voor toename spaghetti door decentralisaties
Het Leger des Heils is voor ruim 90 procent van hun inkomsten afhankelijk van subsidies van diverse instellingen (het ministerie van Justitie, zorgkantoren, Centraal Bureau Fondsenwerving, provincies en tientallen gemeenten. Al deze instellingen hebben eigen eisen ten aanzien van de wijze van rapporteren, de besteding van het geld en de berekening van geboekte resultaten. Ook gemeenten hebben voorschriften waarin specifieke (en uitgebreide) registraties per gemeente en controles gevraagd worden.

Het Leger des Heils heeft veel begrip voor de wensen van gemeenten, maar is wel bevreesd dat de administratieve lasten door de aanstaande decentralisaties nog groter worden. Nú is het moment om deze verantwoordingseisen te herzien. Met de invoering van de decentralisaties en bijbehorende nieuwe diensten zullen de contracten tussen de gemeenten en de zorgaanbieders, waaronder het Leger des Heils, moeten worden herzien. Dit biedt een prachtige kans om te komen tot administratieve lastenverlichting. Deze lasten zijn immers een gevolg van wat je afspreekt in het contract: welke diensten moet het Leger des Heils leveren? Hoe borg je dat het Leger des Heils de diensten naar wens verleent? Welke eisen en bekostigingswijze per type dienst zijn passend en welke (sturings)informatie is hiervoor noodzakelijk? Bij het herzien van de verantwoordingseisen ligt de focus op
de minste administratieve lasten: meer hergebruik, alleen vragen waar echt wat mee gedaan wordt en je continu afvragen of iets in de praktijk uitvoerbaar is.
 
In samenwerking met de gemeente Amsterdam organiseert de VNG op
6 november een bestuurlijke bijeenkomst over administratieve lastenverlichting tussen gemeenten en instellingen. Het Leger des Heils zal daar de problematiek toelichten en één of twee gemeenten zullen hun best practice presenteren.
De bijeenkomst wordt afgesloten met een intentieverklaring van de aanwezige gemeenten met als werktitel ‘less is more’. Bij voorkeur bevat de intentieverklaring ook een handelswijze ter voorkoming van administratieve lastenverhoging voor gemeenten en het Leger des Heils (en/of andere zorgaanbieders).

De mist achter het accres van 2014 en 2015 opgeklaard
De accrescijfers van 2015 en 2015 zijn positief. Het gemeentefonds groeit dus voor het eerst sinds jaren. Hoe kan dat?

De rijksbegroting is onder te verdelen in drie sectoren: de uitgaven van de departementen, sociale zekerheid (en arbeidsmarktbeleid) en zorg. Het gemeentefonds is (grosso modo) gekoppeld aan de uitgaven van de departementen. Als de departementale uitgaven stijgen of dalen met een bepaald bedrag, beweegt het gemeentefonds mee voor circa 20 procent van dat bedrag. De koppeling van het gemeentefonds aan alleen de departementale uitgaven betekent dat bezuinigingen op de sectoren zorg of sociale zekerheid geen invloed hebben op de ontwikkeling van het gemeentefonds. Ook verhogingen of verlagingen van rijksbelastingen hebben geen invloed op de omvang van het gemeentefonds. De laatste jaren realiseert het kabinet Rutte rijksbezuinigingen volgens de vuistregel: een derde door het verhogen van de
 
belastingen en twee derde door de rijksuitgaven te verminderen. Ongeveer de helft van alle uitgavenbeperkende maatregelen die het kabinet neemt bij grote bezuinigingsrondes slaat neer op de departementale uitgaven. De andere helft komt terecht bij de andere twee sectoren.

Het accres van 2014 is bijna 6 procent. Er zijn verschillende verklaringen te bedenken waarom het accrescijfer van 2014 positief is. Het kabinet Rutte-II heeft besloten dat de zware bezuinigingen pas ingaan in 2015. Ook staat voor 2014 een aantal infrastructurele projecten gepland, die oorspronkelijk in eerdere jaren zouden worden uitgevoerd. Het zorgakkoord en het sociaal akkoord leiden tot extra uitgaven van de departementen en waardoor het gemeentefonds groeit. Bovendien heeft het Rijk besloten de prijsbijstelling in 2013 niet uit te keren. Dit betekent dat de rijksuitgaven in 2013 lager zijn. Daardoor is het accres van 2013 afgenomen, maar komt het accres in 2014 juist hoger uit.
 
Het accres van 2015 is ook (nog) positief. In 2015 worden echter verschillende uitnamen uit het gemeentefonds gedaan. In plaats van afschaffing van het btw-compensatiefonds (BCF) komt er een korting op het gemeentefonds van 310 miljoen euro. Ook gaat er 256 miljoen euro voor onderwijshuisvesting uit het gemeentefonds. Dit bedrag wordt volgens het Rijk niet besteed aan onderwijshuisvesting en wordt daarom uit het gemeentefonds genomen. Bovendien moet de opschaling van gemeenten volgens het kabinet leiden tot een besparing van 60 miljoen euro,
die wordt afgeroomd. Deze besparing moet komen door schaalvoordelen en vereenvoudiging van regelgeving.

De accrescijfers zijn onder voorbehoud want gebaseerd op geplande beleidsmaatregelen van het Rijk. De gemeenten moeten rekening houden met een forse korting. Op Prinsjesdag zijn de precieze effecten bekend.
 
Waardering vastgoed 
Het is geen geheim dat het moeilijke tijden zijn voor het vastgoed. De waarde van het onroerend goed is de afgelopen jaren hard onderuit gegaan. Ook de gemeenten merken dit. In het Besluit begroting en berantwoording provincies en gemeenten (BBV) staat in artikel 65 dat naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking worden genomen. Na een verzoek van gemeenten gaf de commissie BBV kort voor de zomer via een notitie aan onder welke omstandigheden het gemeentelijk vastgoed duurzaam moet worden afgewaardeerd.

De notitie is in drie delen opgebouwd. Deel één ‘Wat is Vastgoed?’ maakt onderscheid in vastgoed met een maatschappelijke functie en vastgoed met een bedrijfseconomische functie. In het eerste geval gaat het bijvoorbeeld om het gemeentehuis of gebouwen voor maatschappelijke functies als onderwijs, welzijn en cultuur. In het tweede geval betreft het vastgoed
 
dat door een decentrale overheid wordt aangehouden om bewust winst of waardestijgingen te realiseren.

Deel twee van de notitie gaat in op de waarderingsgrondslagen. In artikel 63 BBV is opgenomen dat activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Op deze activa wordt afgeschreven volgens een op de toekomstige gebruiksduur afgestemd stelsel (artikel 64 BBV) en een eventueel noodzakelijke afwaardering mag niet afhankelijk zijn van de omvang van het gemeentelijk jaarresultaat (artikel 65 BBV).

Tot slot beschrijft deel drie van de notitie wanneer een afwaardering daadwerkelijk dient plaats te vinden. Dit is volgens de commissie afhankelijk van drie factoren: de huidige functie, de bestuurlijke intentie en de directe opbrengstwaarde. Bij vastgoed met een maatschappelijke functie dat duurzaam wordt geëxploiteerd kan nooit sprake zijn van een duurzame waarmogelijkheid wel. Ook wanneer het bestuur voornemens is om het vastgoed te verkopen of er een bedrijfseconomische functie aan te geven, bestaat de mogelijkheid van een duurzame waardevermindering. Om vast te stellen of een duurzame waardevermindering daadwerkelijk nodig is, moet de directe opbrengstwaarde worden bepaald. Een middel hiervoor is een onafhankelijke taxatie. Op deze waarde wordt dan gedurende de resterende gebruiksduur afgeschreven.

Hoofdlijn van de notitie is dus dat de verkrijgingsprijs de BBV-waarderingsgrondslag is. Slechts in een beperkt aantal gevallen is dit de marktwaarde. Volgens de commissie draagt waardering tegen de verkrijgingsprijs bij aan de inzichtelijkheid in en de stabiliteit van de begroting. Daarentegen leidt de marktwaarde tot een veelal moeilijk uitlegbare dynamiek.

Trefwoorden: Tags: Gemeentefinancien

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.