Uitgelicht

Wat speelt er momenteel op het gebied van gemeentefinanciën? Medewerkers van het expertisecentrum gemeentefinanciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten lichten enkele belangrijke onderwerpen toe.

Kostprijs gemeentelijk productie daalt
In 2011 is de relatieve kostprijs van de gemeentelijke productie gedaald met 2 procent. Dit blijkt uit de publicatie Maten voor gemeenten van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat eind november 2013 is verschenen. Tussen 2006 en 2010 steeg die kostprijs nog met gemiddeld 1,9 procent per jaar. De bovengenoemde prijsmutaties zijn de reële prijsmutaties gecorrigeerd voor inflatie.

Over de gehele periode 2006-2011 zijn de reële kostprijzen ook gestegen, maar daar past wel een kanttekening bij. De onderzoekers wijzen erop dat de stijging van de kostprijs van de gemeentelijke productie in deze periode vooral ligt in bedrijfsmatige activiteiten als grondbedrijven, havenbedrijven en nutsbedrijven met een totale omzet van ongeveer 8,2 miljard euro. Worden deze activiteiten buiten beschouwing gelaten dan stegen de reële uitgaven van gemeenten met 0,1 procent per jaar, terwijl de productie met wel 0,6 procent per jaar toenam. Dat komt neer op een reële kostprijsdaling van gemiddeld 0,5 procent per jaar over deze gehele periode.

Het sterkst stegen de kostprijzen van openbare gezondheidzorg (4,6 procent), cultuur (3,4 procent) en brandweer en veiligheid (3,2 procent). De kostprijzen van huishoudelijke hulp, openbaar bestuur, afvalverwerking en bijstand zijn juist gedaald. Bij openbaar bestuur komt dat door minder uitgaven. Ook bij de bijstand is sprake van minder uitgaven per cliënt door een lagere uitkering. Bij huishoudelijke hulp en afvalverwerking komt de daling voort uit efficiëntieverbetering, zeggen de schrijvers in de studie. Maar de vraag is of hier ook niet slechts sprake is van lagere uitgaven. Bij de afvalverwerking is in Nederland overcapaciteit ontstaan waardoor de tarieven door hevige concurrentie zijn gedaald. Ook bij huishoudelijke hulp zijn de tarieven gedaald; concurrentie leidde tot lagere beloning van het werk. Gemeenten slaagden erin deze diensten goedkoper in te kopen. In hoeverre achter deze twee factoren ook een efficiëntieverbetering schuilt, is de vraag.

Bij de stijging van de relatieve prijzen voor overheidsdiensten wordt vaak gewezen op de wet van Baumol. Bij arbeidsintensieve diensten is de stijging van de productiviteit vaak geringer. En juist overheidsdiensten zijn door de bank genomen arbeidsintensief. Maar de lonen in de overheidssector moeten toch in de pas blijven lopen met de lonen in de marktsector. Dat is de reden voor de stijging van de relatieve kostprijs voor overheidsdiensten bij een hogere ontwikkelingsgraad van de economie in een land. Het heeft er alles van weg dat tijdens de huidige recessie voor gemeenten een omgekeerde wet van Baumol geldt. De relatieve kostprijs van de gemeentelijke productie daalt! Dat is in lijn met de achterliggende argumentatie van de wet van Baumol.

Decembercirculaire gemeentefonds 2013
Bij het samenstellen van de begroting en de meerjarenraming koersen gemeenten sterk op de gemeentefondscirculaires die elk jaar in mei/juni en september uitkomen. Hoe zit dat met de decembercirculaire? Sinds 2008 verschijnt ook dat stuk elk jaar. Meestal hangt die circulaire er maar een beetje bij. Er worden wat vergeten puntjes opgevoerd, waarmee de gemeenten niet meer veel kunnen. De begroting van het volgende jaar is immers al vastgesteld en de jaarrekening van het lopende jaar staat alweer bijna in de steigers.

De decembercirculaire 2013 is waarschijnlijk beter gelezen dan in voorgaande jaren. Om te beginnen valt het accres (de groei) gemeentefonds 2013 80 miljoen euro hoger uit dan in september. Dat komt door het zogenaamde herfstakkoord dat het kabinet na het verschijnen van de Miljoenennota met de oppositie sloot. De uitgaven voor onderwijs pakken in 2013 flink hoger uit. Via de trap-op-trap-af-systematiek tikt dat door in het gemeentefonds. Het accres 2014 komt overigens weer 70 miljoen euro lager uit dan eerder verwacht.

En dan is er de berichtgeving rond de drie decentralisaties. Er zijn nieuwe cijfers over de uitgaven die binnen de gemeentegrenzen werden gedaan voor de jeugd in 2011. Deze cijfers zijn voorlopig maatgevend voor de gemeentelijke budgetten 2015. Uiterlijk in mei 2014 komen de definitieve cijfers. Voor de AWBZ/Wmo en de Participatiewet zijn er zelfs nog geen indicaties van de historische uitgaven. En dus ook nog niet van de budgetten waarop gemeenten in 2015 kunnen rekenen. Het wordt allemaal wel érg kort dag!

Europese subsidies infrastructuur en mobiliteit
Ook in 2014 zijn er weer Europese subsidies beschikbaar voor de ondersteuning van infrastructuur- en mobiliteitsprojecten in de Europese Unie in het kader van het Trans-Europese Netwerk voor Transport (TEN-T). Het doel is om de nationale en unimodale vervoersnetwerken om te vormen tot een geïntegreerd en multimodaal Europees vervoersnetwerk. Unimodaal betekent dat op een traject gebruik wordt gemaakt van één vervoersmiddel, bijvoorbeeld de auto of de trein. Een multimodaal netwerk is een transportketen waar verschillende vervoersmiddelen geïntegreerd worden. Onderdeel van TEN-T zijn investeringen in het netwerk om de verkeersveiligheid te vergroten, het vervoer duurzamer te maken en de verkeersdrukte in betere banen te leiden.

De subsidies van de EU zijn gericht op de transportverbindingen tussen de belangrijkste vervoersknooppunten in de EU . Dit wordt het kernnetwerk genoemd. De EU geeft prioriteit aan negen grote multimodale routes , de zogeheten corridors. Van die negen lopen er drie door Nederland:

  • Noordzee – Middellandse Zee, 
  • Rijn – Alpen en 
  • Noordzee – Oostzee.

De nadruk van de subsidietoekenning ligt normaal gesproken op investeringen van het Rijk, havenbedrijven en Prorail. Maar de subsidies zijn ook beschikbaar voor gemeenten die in multimodale voorzieningen investeren of voor projecten gefocust op innovatie en duurzaam vervoer, zoals oplaadpunten of beschikbaarheid van alternatieve brandstoffen.

Een aantal projecten in Nederland die zijn gecofinancierd met TEN-T subsidies zijn grote projecten zoals de Betuweroute, HSL-spoorlijn en de Maaswerken. Maar ook kleinere projecten zoals het bouwen van infrastructuur voor elektrische auto's en de ontwikkeling van auto's op waterstof hebben subsidies ontvangen. Recent hebben

  • het Project ZuidAs Dok (herontwikkeling van het station Amsterdam Zuid) en
  • een planstudie naar een spoorterminal bij Greenport Venlo

subsidie gekregen.

Gemeenten die investeringen plannen op gebied van infrastructuur kunnen aanspraak maken op een subsidie. Een eis is wel dat de gemeente op het kernnetwerk ligt. Projectvoorstellen kunnen individueel of in samenwerking met andere overheden of met private partijen worden ingediend. Projectvoorstellen kunnen alleen ingediend worden als de aanvraagregeling vanuit de EU is geopend.

Tussenstand budget decentralisatie jeugdzorg
In de meicirculaire 2013 bedroeg het budget voor de decentralisatie jeugdzorg voor 2015 € 3,3 miljard. Voordat in 2014 het definitieve budget gepubliceerd wordt heeft het Rijk eind 2013 een tussenstand naar buiten gebracht, waarin het macrobudget is verhoogd naar € 3,5 miljard. De twee belangrijkste redenen hiervoor zijn wijzigingen in het budget voor de jeugd-GGZ en de PGB-maatregel.

Het budget voor de jeugd-GGZ is met € 150 miljoen opgehoogd. Het geld dat nodig is voor de medebehandeling van bijvoorbeeld ouders in relatie tot de problematiek van het kind was ten onrechte niet meegenomen in de meicirculaire 2013. Terwijl dit vanaf 1 januari 2105 wel de verantwoordelijkheid wordt van gemeenten.

Daarnaast is de PGB-maatregel na publicatie van de meicirculaire 2013 veranderd. Een van de veranderingen is dat de 10-uursmaatregel alleen nog geldt voor nieuwe cliënten. De korting van € 105 miljoen, zoals verwerkt in het budget in de meicirculaire 2013, wordt daarmee gewijzigd in € 70 miljoen, hetgeen leidt tot een verhoging van het macrobudget van € 35 miljoen. Het definitieve macrobudget dat gemeenten in 2015 voor de nieuwe taak krijgen wordt in 2014 vastgesteld. De belangrijkste wijzigingen die nog zullen plaatsvinden zijn:

  • Het budget voor de Zorgverzekeringswet wordt gebaseerd op de gerealiseerde uitgaven van 2012. Dat is conform de bestuursafspraken 2011-2015. In de stand van mei 2013 en de nieuwe tussenstand is uitgegaan van productieafspraken in plaats van gerealiseerde uitgaven. Vanwege de doorlooptijd van de gedeclareerde dbc's, soms wel twee jaar, was het niet mogelijk om in 2013 al een stand op realisatiecijfers te geven.
  • De volumegroei voor de jaren 2014 en 2015 voor de AWBZ en alle loon- en prijsbijstellingen voor 2013 en 2014 moeten nog verwerkt worden. 
  • Alle persoonlijke verzorging voor de jeugd, behalve die verpleegkundige handelingen betreft, wordt toegevoegd aan het macrobudget. Bij de berekeningen tot nu toe is aangenomen dat 20% van persoonlijke verzorging onlosmakelijk verbonden is met verpleging en dus opgenomen moet worden in de Zorgverzekeringswet. Als gevolg daarvan was slechts 80% van het budget voor persoonlijke verzorging voor jeugd toegevoegd aan het macrobudget. Echter, nu is duidelijk dat bijna het volledige budget voor persoonlijke verzorging aan jeugdigen moet worden toegevoegd.
  • De vrijvallende uitvoeringskosten van de huidige financiers binnen de AWBZ en de Zorgverzekeringswet moeten worden toegevoegd aan het macrobudget.
De Algemene Rekenkamer zal het komende voorjaar de totstandkoming van het definitieve macrobudget toetsen.  
Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.