Push voor gemeentelijk duurzaamheidsbeleid

Bijzonder hoogleraar Bastiaan Zoeteman van de Universiteit van Tilburg maakt met zijn team de Nationale Monitor Gemeentelijke Duurzaamheid. Hiermee leveren zij de grondslag voor de verdeling van 500 miljoen euro onder gemeenten die door BNG Bank is opgehaald met de uitgifte van de eerste ‘duurzame obligatie’.

Eind 2014 haalde BNG Bank 500 miljoen euro op met uitgifte van een ‘duurzame obligatie’. Het bijzondere aan deze obligatie is dat er geen projecten mee worden gefinancierd, maar dat het geld wordt uitgeleend aan gemeenten die het beste presteren op het gebied van duurzaamheid (op zowel ecologisch, economisch als sociaal gebied). Deze gemeenten mogen het geld gebruiken zoals zij dat wensen; het wordt uitsluitend gebruikt voor balansfinanciering van deze gemeenten.

De grondslag voor de verdeling van de 500 miljoen is de Nationale Monitor Gemeentelijke Duurzaamheid, die elk jaar wordt gemaakt door Telos, het centrum voor duurzame ontwikkeling van de Universiteit van Tilburg. Projectleider van de monitor is bijzonder hoogleraar Bastiaan Zoeteman.

Op basis van de duurzaamheidsmonitor, vertelt hij, komen er 96 gemeenten in aanmerking voor een lening uit deze pot van een half miljard. Dat zijn niet per se allemaal de meest duurzame gemeenten van Nederland, er wordt ook onderscheid gemaakt naar gemeentetypen.

Drie kapitalen
Zoeteman: ‘De monitor is opgebouwd uit drie kapitalen, het ecologische, economische en sociale kapitaal. Elk kapitaal is opgebouwd uit thema’s, 19 in totaal. Voor het ecologische zijn dat onder meer water, bodem, lucht en biodiversiteit. Voor het economische de economische structuur, vestigingsvoorwaarden, infrastructuur en bereikbaarheid en voor het sociale kapitaal zijn bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en woonomgeving thema’s.

Elk thema wordt gekenmerkt met gemiddeld vijf indicatoren.’ Om aan die indicatoren een waarde toe te kunnen kennen, formuleert Telos algemene duurzaamheidsdoelen. Bijvoorbeeld: de lucht is schoon, de bodem is schoon en de werkloosheid is lager dan x procent. Die doelen worden vergeleken met de feitelijke situatie, waardoor per indicator berekend kan worden hoe ver gemeenten daar vanaf zitten. Zit een gemeente bijvoorbeeld 70 procent van het doel af, dan is er een duurzaamheidsscore voor die indicator van 30 procent.

Vervolgens worden deze uitkomsten geaggregeerd en komt er per gemeente een getal uit. Een eenvoudige exercitie is het verzamelen van de data bepaald niet, vertelt Zoeteman. ‘Soms moet je ervoor betalen, sommige data worden niet jaarlijks verzameld, maar eens in de twee of drie jaar en bepaalde data worden niet op het niveau van een gemeente bijgehouden maar in regionaal verband, bijvoorbeeld op het niveau van gezondheids- en politieregio’s. Het is een flinke klus om die informatie geschikt te maken voor onze benchmark.’

Belastinggeld
Maar het ergste, zegt Zoeteman, is dat sommige data geheim worden gehouden. ‘Data over bodemsanering en riolering bijvoorbeeld, omdat daar grote financiële belangen aan kleven. We kunnen daar alleen gecategoriseerde cijfers over krijgen, omdat men bang is dat bijvoorbeeld oppositiepartijen in gemeenteraden daar lastige vragen over gaan stellen als die cijfers per gemeente worden vrijgegeven. Ik vind dat een onhoudbare situatie. Het gaat immers om de besteding van belastinggeld.’

Als de inkomsten uit de duurzame obligatie alleen op basis van de score op de indicatoren zouden worden verdeeld, zou dat zeer unfair zijn, omdat gemeenten verre van dezelfde startpositie hebben als het gaat om duurzaamheid. Zo maakt het nogal wat uit of een gemeente middenin een prachtige bosrijke omgeving ligt, een industrieel verleden heeft en of het een kleine of grote gemeente betreft.

Integrale monitoring
Om een eerlijker oordeel over de duurzaamheidsscore van gemeenten te geven, hanteert Telos in zijn duurzaamheidsmonitor tien typen van gemeenten. Bijvoorbeeld: centrumgemeenten, krimpgemeenten en groene gemeenten. Voor de duurzame obligatie van de BNG Bank bleken zeven daarvan relevant, omdat die statistisch een significant afwijkend patroon gaven van het gemiddelde. Zoeteman: ‘Daar hebben we vervolgens een achtste type aan toegevoegd, de 100.000+-gemeenten.

Uit de 40.000 data die we over de gemeenten hebben verzameld, blijkt namelijk dat naarmate gemeenten groter zijn, het minder goed gesteld is met de duurzaamheid: het economisch kapitaal scoort beter, maar het ecologisch en sociaal kapitaal lager. Vanuit duurzame ontwikkeling gezien, kun je je dan ook afvragen of het ongeclausuleerd streven naar gemeenten met minstens 100.000 inwoners wenselijk is.’

Per type gemeenten komen de beste vijftien in aanmerking voor een lening uit de opbrengst van de obligatie. Doordat sommige gemeenten in meerdere categorieën bij de beste vijftien scoorden, zijn we in totaal niet op 120 (8 maal 15), maar op 96 uitgekomen.

Binnen anderhalf uur was er door beleggers al voor 1 miljard euro ingetekend op de obligatie, terwijl BNG Bank maar de helft daarvan wilde ophalen. Door het succes van de obligatie geeft de bank ook dit jaar een duurzame obligatie uit.

Het kan zijn, zegt Zoeteman, dat gemeenten het geld ook gebruiken voor de brandweer of het personeel, maar het grote voordeel is dat je door de hieraan gekoppelde monitoring gedurende vijf jaar inzicht krijgt in de totale performance van gemeenten op het gebied van duurzaamheid.

‘Bij ‘groene’ obligaties gaat het meestal om projectfinanciering. Maar in dat geval hebben investeerders geen enkele garantie dat de gemeente met het totaal aan activiteiten het groene doel dichterbij brengt. Er kan een obligatie voor groene energie worden uitgegeven, maar er kan tegelijk met een andere lening een kolencentrale worden gebouwd. Daar wordt dan niet over gerapporteerd. Voor veel financiers is deze duurzame obligatie van BNG Bank met de daaraan gekoppelde integrale monitoring van de prestaties van de gemeente dan ook erg interessant’, aldus de hoogleraar duurzaamheid.

Signalerend effect
Op dit moment heeft de duurzame obligatie hoofdzakelijk een communicatief en signalerend effect ten gunste van gemeentelijke duurzaamheid. ‘Het is heel interessant dat een bank daar op deze manier betekenis aan wilt geven’, zegt Zoeteman. ‘Ik zie het als een begin van een nieuwe spannende ontwikkeling, die veel nieuwe discussies gaat opleveren.

Als we de Telos-monitor bijvoorbeeld een paar jaar hebben gemaakt, kunnen we ook terug gaan kijken, trends gaan zien en die op nationale schaal vergelijken. En we kunnen gemeenten die hoog scoren met elkaar in contact brengen of juist gemeenten van eenzelfde type die hoog en die laag scoren koppelen. Het resultaat zal zijn dat duurzaamheid meer aandacht krijgt en dat er betere oplossingen breder worden toegepast’, zegt Zoeteman enthousiast.

En niet alleen op nationaal niveau, voegt hij eraan toe. ‘De gemeente Westland bijvoorbeeld, heeft in Nederland geen goede benchmarkgemeente. Dat is zo’n groot overdekt tuinbouwgebied, dat je die gemeente beter met bijvoorbeeld Almeria in Spanje kunt vergelijken. Ja, dat kan. Wij hebben in Europa nu al onderzoek gedaan naar zestig grote gemeenten en dat gaan we uitbreiden naar honderd met steun van het ministerie van BZK.’

Rationelere discussies
Een ander effect van duurzame obligatieleningen dat hij voorziet is dat er in colleges en gemeenteraden rationeler gediscussieerd kan gaan worden over duurzaamheid. ‘Door de benchmark op negentig indicatoren worden nieuwe verbanden zichtbaar, bijvoorbeeld hoe sociale samenhang gunstig uitwerkt op het aantal schoolverlaters en het ophalen van afval bij de huizen. Ik kan me voorstellen dat er daardoor bij oppositiepartijen bijvoorbeeld meer begrip ontstaat voor de noden van een wethouder, omdat hij aantoonbaar ver van een gesteld doel af is, en dat daar dus prioriteit aan gegeven wordt.

Tegelijkertijd kan er een wethouder zijn die heel graag een paar files in zijn gemeente wil oplossen, maar dat uit de benchmark blijkt dat die veel minder voorkomen dan in vergelijkbare gemeenten. Dat rechtvaardigt dan de vraag of de juiste onderwerpen prioriteit krijgen. Discussies zullen op basis van een objectievere referentie gevoerd kunnen worden en aan de hand van een ‘gemeenschappelijke taal’.’

Maar ook nu al ziet de hoogleraar interessante dingen. ‘De drie gemeenten die het hoogste scoren in de monitor zijn Naarden, Houten en Midden-Delfland. Dat zijn allemaal gemeenten waar veel inwoners hun geld verdienen in een van de nabij gelegen grote steden met hun milieu- en sociale problemen, terwijl ze prettig wonen in hun groene gemeente. Ze brengen hun geld mee naar de gemeenten waar ze wonen en houden daar voorzieningen in stand. Ze hebben het beste van twee werelden: de economische kracht van een grote stad en de milieu- en de sociale voordelen van een kleinere gemeente.

Gemeenten wentelen al dan niet bewust dingen op elkaar af. Dit wordt in de monitor objectief zichtbaar gemaakt, door die negentig indicatoren op zowel economisch, ecologisch als sociaal gebied in samenhang met elkaar te vergelijken. Bij Telos denken we op basis hiervan dat gemeenten vaker op regionaal niveau de problemen moeten op gaan lossen, maar het bewijs daarvoor willen we de komende jaren verder uitwerken, evenals methoden om dat aan te pakken.’

Het zou mooi zijn, vindt hij, als op den duur alle gemeenten zouden kunnen profiteren van duurzame obligaties en dat er een aantal spelregels aan vast zitten. ‘Dat gemeenten bij investeringen kijken naar hoe ze duurzaamheid integraal zo goed mogelijk vorm kunnen geven, dat ze zich ertoe verplichten om hun beleid te monitoren en transparant zijn over wat ze bereiken.

Duurzame obligaties in combinatie met monitoring kunnen het bewustzijn over wat duurzaamheid nu werkelijk is en wat het belang ervan is flink vergroten. Het is nu nog een bescheiden initiatief, maar bij wethouders zie ik wel interesse. Alhoewel er ook altijd wethouders zullen zijn die zeggen: ‘Is die duurzame obligatielening goedkoper dan een gewone? O, even duur… Laat dan maar zitten’.'

Trefwoorden: Tags: Universiteit Tilburg; Dialoog; Telos; Duurzaam; Nationale Monitor

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.