Belastingen en gemeenten

​Wat speelt er momenteel op het gebied van gemeentebelastingen? Medewerkers van het expertisecentrum gemeentefinanciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten lichten enkele belangrijke onderwerpen toe.


Leges reisdocumenten en identiteitskaart
Vanaf 9 maart 2014 gelden nieuwe regels voor de leges voor een reisdocument of identiteitskaart. De heffingsgrondslag is niet meer artikel 229 Gemeentewet, maar artikel 7 in samenhang met artikel 2, tweede lid, van de (gewijzigde) Paspoortwet. Daar staat dat de gemeente rechten kan heffen voor het verrichten van handelingen voor een aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart of een reisdocument. Gemeenten kunnen geen vermissingsleges meer heffen als de aanvrager het eerder verstrekte document kwijt is. Gemeenten moeten hun legesverordening aan de nieuwe wetgeving aanpassen.
Ook gelden vanaf 9 maart 2014 nieuwe maximumtarieven. Voor personen van achttien jaar en ouder wijzigt de geldigheidsduur van de reisdocumenten en identiteitskaart van vijf naar tien jaar. Daardoor komt er ook een tariefonderscheid voor jongeren en volwassenen. Het rijkskostendeel van het maximumtarief is flink verhoogd. Het Rijk loopt daarmee vooruit op de afname van het aantal uit te geven reisdocumenten over vijf jaar. De Nederlandse identiteitskaart is niet langer een reisdocument, maar is binnen de Europese Unie en enkele andere landen wel te gebruiken.

Leges verstrekking uit basisregistratie personen
Het Europese Hof van Justitie oordeelt dat gemeenten leges mogen heffen voor de verstrekking van persoonsgegevens uit de basisregistratie personen. De vergoeding mag niet hoger zijn dan de kostprijs van de verstrekking. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stelde in een procedure over de leges prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie. De vragen gingen over de uitleg van artikel 12, sub a, van richtlijn 95/46/EG die natuurlijke personen beschermt in verband met de verwerking van persoonsgegevens. In het artikel staat dat een verstrekking zonder bovenmatige vertraging en kosten plaatsvindt. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch vroeg het Europese Hof of dit betekent dat de verstrekking zonder kosten moet plaatsvinden. Het Europese Hof van Justitie legt uit dat een gemeente kosten in rekening mag brengen, maar deze mogen niet ‘bovenmatig’, dus niet meer dan kostendekkend, zijn. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch moet nog onderzoeken of het in rekening gebrachte legesbedrag van € 12,80 niet meer dan kostendekkend is. (Hof van Justitie van de Europese Unie 12-12-2013, C-486, Belastingblad 2014/19, Gerechtshof
’s-Hertogenbosch 26-10-2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1384)

Noot: Per 6 januari 2014 is de Wet GBA vervangen door de Wet basisregistratie personen (Stb. 2013, 315). In verband met de Wet basisregistratie personen en Aanpassingswet basisregistratie personen (Stb. 2013, 316) zijn de modelverordeningen leges, toeristenbelasting en watertoeristenbelasting aangepast.

Kruissubsidiëring Wabo-leges toegestaan
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft beslist dat kruis- subsidiëring tussen tarieven binnen de legesverordening is toegestaan, ook met de leges voor een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo-leges). X vraagt een omgevingsvergunning voor de bouw van een woonhuis met garage/berging, die door de gemeente wordt verleend. Bij de verlening is aan X medegedeeld hoeveel de verschuldigde leges bedragen. Aan X is vervolgens de aanslag opgelegd. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of de geraamde baten uitgaan boven de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet. X vindt onder meer dat de opbrengstlimiet enkel met de elementen die behoren tot titel 2 Tarieventabel (de Wabo-leges) moet worden beoordeeld, en dat de gegevens uit titel 1 (leges algemene dienstverlening) en titel 3 (leges voor diensten die vallen onder de Dienstenrichtlijn) van de tarieventabel buiten beschouwing moeten blijven. Kruissubsidiëring (tekorten op de ene dienst dekken door overschotten op een andere dienst) is volgens X niet mogelijk.

Het hof overweegt dat ondubbelzinnig uit (de wetsgeschiedenis van) artikel 229b Gemeentewet volgt dat het bij de opbrengstlimiet niet gaat om de kostendekking per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de verordening opgenomen diensten. Wel moet de gemeente die ervoor kiest in één verordening tarieven voor verschillende (groepen van) diensten op te nemen, op controleerbare wijze vastleggen welke uitgaven zij in welke mate door heffing van elk van de tarieven beoogt te dekken. Deze controleerbare vastlegging dient voornamelijk om toetsing van een bepaalde heffing aan algemene rechtsbeginselen mogelijk te maken. Voor de toetsing aan de opbrengstlimiet heeft zij geen betekenis. Het feit dat de Tweede Kamer bij de totstandkoming van de Wabo het uitgangspunt formuleerde dat de geraamde baten van de omgevingsvergunning niet mogen uitgaan boven de geraamde lasten, doet hier niets aan af. Dit uitgangspunt is in tegenspraak met (de parlementaire geschiedenis van) artikel 229b Gemeentewet.
Wijziging van artikel 229b Gemeentewet of invoering van een andere wettelijke bepaling heeft echter niet plaatsgevonden,  zodat volgens het hof voor de vraag of sprake is van overschrijding van de opbrengstlimiet, de kostendekkendheid van de hele legesverordening moet worden beoordeeld. Op basis van stukken van de heffingsambtenaar komt het hof tot de conclusie dat er geen sprake is van een overschrijding van de opbrengstlimiet. Het hoger beroep is ongegrond. Tegen de uitspraak is beroep in cassatie ingesteld. (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-01- 2014,  ECLI:NL:GHARL:2014:494,  VNG-5940)

Geen wettelijk voorschrift over plaats hoorzitting
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat bij bezwaarbehandeling een hoorzitting niet op het kantoor van het bestuursorgaan hoeft plaatse te vinden. X maakt bezwaar tegen een WOZ-beschikking. In hoger beroep voert X aan dat de gemeente de hoorplicht heeft geschonden omdat de hoorzitting tegelijkertijd met de inpandige opname heeft plaatsgevonden.
In hoger beroep oordeelt het hof dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen wettelijk voorschrift bevat over de plaats van een hoorzitting. Het bestuursorgaan heeft daardoor de bevoegdheid een hoorzitting op een andere locatie te houden dan op het kantoor van het bestuursorgaan. Ook het ineenschuiven van de inpandige opname en de hoorzitting is geoorloofd, mits daarbij de minimumeisen die de Awb aan het horen stelt, in acht worden genomen. Het beroep is ongegrond. (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:236, VNG-5935)

Geen navordering te lage aanslag rioolheffing
De Hoge Raad beslist dat navordering van rioolheffing niet mogelijk is als niet meteen duidelijk is dat de aanslag te laag was.   X ontvangt een aanslag rioolheffing van € 235. Deze aanslag is te laag en X krijgt een navorderingsaanslag van € 23. Volgens de gemeente was de te lage aanslag kenbaar gezien de op de website gepubliceerde verordening en de bijsluiter. Daaruit valt af te leiden dat X voor € 258 had moeten worden aangeslagen. De Hoge Raad overweegt dat de enkele vermelding van een bedrag aan rioolheffing van € 235 niet van dien aard is dat daarmee voor een belastingplichtige onmiddellijk duidelijk had moeten zijn dat de aanslag onjuist is. Raadpleging van de bijsluiter, waarnaar op het aanslagbiljet wordt verwezen met de woorden “voor verdere informatie”, en van de daarin vermelde website, lag daarmee niet voor de hand. Het hof heeft dan ook ten onrechte beslist dat sprake was van een redelijkerwijs kenbare onjuistheid als bedoeld in artikel 16, lid 2, letter c, Algemene wet inzake rijksbelastingen. (Hoge Raad 10-01-2014, ECLI:NL:HR:2014:8, VNG-5926)

Beperking kostenvergoeding afzonderlijke bezwaarschriften
Rechtbank Den Haag beperkt de kostenvergoeding voor tachtig bezwaarschriften tegen WOZ-waarden op één aanslagbiljet, omdat er dan sprake is van één bezwaar. X BV ontvangt een aanslagbiljet met daarop de WOZ-waarden van tachtig woningen in vijftien straten. X’ gemachtigde heeft per woning een bezwaarschrift ingediend en daarbij om een proceskostenvergoeding verzocht.  Op de hoorzitting verschenen de gemachtigde, de taxateur namens X en acht andere belastingplichtigen. In de uitspraak op bezwaar heeft de gemeente zowel de waarden van de 80 woningen als de aanslagen OZB verminderd. Ook heeft de gemeente een proceskostenvergoeding toegekend van in totaal € 9.476,25.
De gemeente heeft daarbij de woningen in dezelfde straat als samenhangend aangemerkt. X gaat in beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad heeft beslist dat er sprake is van één bezwaar als dit is  gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten (HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822).

De rechtbank stelt vast dat de bezwaren daarom als één bezwaar moeten worden aangemerkt. De omstandigheid dat X’ gemachtigde voor elke woning een afzonderlijk bezwaarschrift heeft ingediend, doet daaraan niets af. Het standpunt dat sprake is van tachtig afzonderlijke zaken doet afbreuk aan de door de wetgever beoogde eenvoud bij het toekennen van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 940 (2 punten (voor indienen bezwaarschrift en voor hoorzitting) x € 235 x wegingsfactor 2). De rechtbank vindt dat de behandeling van alle woningen tijdens de hoorzitting niet kan leiden tot een hogere vergoeding. Voor de vergoeding van de taxatierapporten sluit de rechtbank aan bij de richtlijn van rechtbanken en gerechtshoven. Nu vaststaat dat bij  de geveltaxaties van een inpandige opname geen sprake is geweest, komt X in beginsel in aanmerking voor een vergoeding van € 119
(2 uur x € 50 x 1,19 (omzetbelasting)) per ingediend taxatierapport. Wel ziet de rechtbank in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding om de kostenvergoeding voor de taxatierapporten te matigen. In de taxatierapporten voor tachtig woningen in vijftien straten zijn per straat dezelfde vergelijkingsobjecten en foto’s gebruikt. De taxateur heeft per saldo minder werk gehad aan het opstellen van die rapporten. Ook voor de kostenvergoeding van de taxateur die op de hoorzitting aanwezig was, sluit de rechtbank aan bij de richtlijn. Omdat niet duidelijk is hoeveel tijd op de hoorzitting aan X’ bezwaar is besteed, vindt de rechtbank hiervoor twee uur redelijk. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 121 (2 uur x € 50 x 1,21 (omzetbelasting)). Volgens de rechtbank komt X in aanmerking voor een totale vergoeding voor de bezwaarfase van € 4.779,75. De gemeente heeft aan X meer toegekend, dus het beroep is ongegrond. (Rechtbank Den Haag 31-10-2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:14882, VNG: 5921)

Trefwoorden: Tags:  

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.