Rente blijft relatief laag

Naarmate de economische omstandigheden verbeteren, dringt de vraag zich op of dit ook het einde zal betekenen van de periode van lage langerentetarieven in Duitsland en de andere kernlanden van de eurozone.

Marktpartijen worstelen al langere tijd met deze prangende vraag. Vorig jaar liep de lange rente vanaf mei in betrekkelijke korte tijd 1 procentpunt op, nadat Fed-voorzitter Bernanke aankondigde dat het monetaire beleid zou worden verkrapt. Vervolgens daalde de rente weer wat onder invloed van dalende inflatiecijfers en deze daling zette zich in de eerste maanden van dit jaar voort. Inmiddels liggen de Duitse en de Nederlandse rentetarieven met circa 1,5 procent respectievelijk 1,9 procent alweer 50 basispunten beneden de top die in september 2013 werd bereikt.

Daarmee lijkt het risico op een hernieuwde stijging toegenomen. De inflatie is weliswaar sterker gedaald dan was voorzien, maar de vraag blijft hoe blijvend dit effect is. De daling is voor een belangrijk deel te danken aan een daling van de prijzen van voedsel en energie. Het gaat hier echter om zeer volatiele prijzen die gemakkelijk weer kunnen stijgen. Beleggers en ook centrale banken kijken om deze reden ook naar de zogenaamde kerninflatie – ook wel onderliggende inflatie genoemd – die deze componenten niet meerekent. De kerninflatie is sinds juli vorig jaar gedaald van 1,1 procent naar 0,8 procent. De totale of ‘headline’ inflatie nam in deze periode af van 1,6 procent naar 0,5 procent. Bovendien trekt de conjunctuur aan. In het laatste kwartaal van vorig jaar groeide het bbp in de regio 0,3 procent, de derde – zij het bescheiden – toename op rij. Vrijwel alle indicatoren wijzen erop dat het economisch herstel verder doorzet. Neem de index van het economisch sentiment, een brede maatstaf waarin de stemming van consumenten en ondernemers in diverse bedrijfstakken is meegenomen. Deze steeg in maart alweer voor de elfde maand op rij. Betere cijfers hebben op hun beurt een gunstig effect op het vertrouwen in de economie. Het economisch herstel zal een steeds bredere basis krijgen en zal op den duur leiden tot een toename van de werkgelegenheid. De werkloosheid zal dan dalen, waardoor de lonen gaan aantrekken. En de lonen zijn een belang- rijke determinant van de kerninflatie. De mate en timing waarin deze ontwikkeling zich gaat voordoen verschillen per land, maar de trend is duidelijk.

Tegen deze achtergrond blijven wij ervan uitgaan dat de lange rente op den duur weer zal gaan oplopen. En als de rente gaat stijgen, zo leert de geschiedenis, kan dit schoksgewijs gaan. De reële rente op Duitse staatsleningen is momenteel circa 0,6 procent. Dat is laag, zeker gelet op de conjunctuurfase waarin de economie zich bevindt. In de jaren tachtig was een niveau van 4 tot 6 procent heel gewoon. In het begin van 1991 steeg de reële rente onder invloed van de Duitse eenwording zelfs tot boven 8 procent. In de loop van de jaren negentig werd nog een niveau van 5 procent bereikt, maar sindsdien is de reële rente gedaald. Ondanks de verwachte stijging ligt het niet voor de hand dat de lange rente zal terugkeren naar de hoge niveaus van het verleden. De voornaamste reden is dat we de komende jaren nog last zullen hebben van de naweeën van de financiële crisis. Huishoudens en bedrijven met hoge schulden zullen hun balansen moeten herstel- len. Banken worden verplicht hun kapitaalbuffers te versterken. Investeringen zullen minder sterk toenemen dan na een gewone recessie. Het is niet meer dan logisch dat de economieën de komende jaren minder sterk groeien dan we in het verleden gewend waren en vaker terugvallen in een recessie. Beleggers zullen mede onder invloed van een verscherping van de regel- geving een relatief grote voorkeur voor vastrentende waarden hebben. Al met al zijn er gegronde redenen om te verwachten dat de reële langerentetarieven in de komende jaren op historisch relatief lage niveaus zullen blijven.

 

Trefwoorden: Tags: Rente

Uw bijdrage

Log in met om uw bijdrage te plaatsen.